De wisselvitrine staat deze keer in het teken van sport. Naar aanleiding van de tijdelijke tentoonstelling Sport en sporters in KL Auschwitz vertellen de voorwerpen in de vitrine het verhaal van Salomon ‘Sam’ Meljado. Sam Meljado was een in België wonende Nederlandse voetballer en een van de beste centrale middenvelders van zijn generatie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Sam, omwille van zijn Joodse afkomst, naar een werkkamp gebracht. Later werd hij via de Dossinkazerne gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau, waar hij begin 1943 in de gaskamers werd vermoord.
Sam Meljado werd geboren op 12 augustus 1905 in Amsterdam. Zijn ouders, Hartog Meljado en Roosje Neuwit hadden op dat moment al vier kinderen, Juda, Simon, Vrouwtje en Rebecca. Na Sam volgde nog een laatste kind, Sara. In de zomer van 1908 verhuisde het gezin naar Antwerpen waar vader Hartog aan de slag ging als diamantslijper.
Heel wat leden van familie Meljado waren echte voetbalfanaten. Sam ontwikkelde op jonge leeftijd al een passie voor voetbal en ook zijn broer Simon en zus Sara waren actief als voetballers.
De naam Meljado was een begrip in Antwerpen. De kinderen van het gezin hielden er verschillende hobby’s op na en waren actieve participanten in gemengde verenigingen waar Joden en niet-Joden samenkwamen. Naast Sam was ook zijn oudere broer Simon een getalenteerd voetballer.
Een aantal van de Beerschot-talentenjagers merkten de voetballende jonge Sam op. Op zijn 12e werd hij toegelaten tot de Beerschot Jeugd. Daar kreeg hij de kans om zijn talent verder te ontwikkelen. Op 17-jarige leeftijd maakte hij zijn debuut in de eerste ploeg.
Sam zou uiteindelijk meer dan 15 jaar actief zijn bij Beerschot. In die jaren beleefde de club haar glorietijd. Sam groeide er uit tot een technisch sterke centrale middenvelder die niet alleen verdedigde, maar ook regelmatig kon scoren. In de 262 (competitie)wedstrijden die Sam speelde in zijn Beerschot-tenue, kon hij 43 keer scoren. Hij werd ook kapitein van de ploeg en bracht hen naar kampioenschapstitels in 1922, 1923, 1925, 1926 en 1928. Na persoonlijke tegenslagen en blessures voelde Sam dat zijn tijd bij Beerschot erop zat. In de zomer van 1936 maakte hij de overstap naar S.K. Roeselare en drie jaar later naar stadsgenoot F.C. Roeselare.
Op 1 maart 1927 trouwde Sam met Rosalia De Vries. Twee jaar later, op 19 april 1929 werd hun zoon Herman geboren.
Sam’s broer Simon overleed op 30 januari 1930. Tijdens een wedstrijd tegen Boom vier dagen eerder botste hij tegen de doelman van de andere ploeg, wat hem een gescheurde lever opleverde. De verwonding zou hem fataal worden. De impact van het overlijden van Simon was immens. De Joods-Nederlandse gemeenschap in Antwerpen verenigde zich in rouw en organiseerde een benefiet om fondsen in te zamelen voor Simons weduwe Wilhelmina en hun dochter Norma. Vader Hartog smeekte zijn kinderen Sam en Sara om het voetbal op te geven en dat deden ze ook. De liefde voor het spel bleek echter te groot en na tien maanden keerde Sam terug naar zijn ploeg Beerschot, dat in zijn afwezigheid was afgegleden in de rangschikking. Slechts twee jaar na het overlijden van Simon, overleed ook Sara, op 25 maart 1932. Zij werd aangereden door een dronken vrachtwagenchauffeur en overleed aan de gevolgen van een schedelbreuk.
In 1939 werd Sam, die nog steeds een Nederlands paspoort had, opgeroepen voor legerdienst in Nederland. Het leger begon met het versterken en het trainen van soldaten, in de verwachting van een mogelijk conflict. Ondanks de militaire voorbereidingen, heerste er in Nederland wel het vertrouwen dat neutraliteit het land zou sparen van oorlogsgeweld. Ondanks zijn legerdienst, speelde Sam enkele wedstrijden mee met Roeselare tijdens zijn militaire verlof. In mei 1940 echter, na de capitulatie van Nederland keerde Sam halsoverkop terug naar Antwerpen. Door zijn Joodse afkomst verloor hij wellicht zijn baan als handelsreiziger. Ook voetballen behoorde niet langer tot zijn bezigheden, overleven werd de prioriteit.
Het gezin Meljado raakte in de oorlogsjaren verspreid. Juda vluchtte al bij de capitulatie van Nederland naar Londen en Vrouwtje trok naar Amsterdam. Rebecca en haar man Mark Turfkruijer doken onder in Antwerpen.
In de zomer van 1942 werden meer dan 2.250 werkloze Joodse mannen uit het Jodenregister geselecteerd en opgeroepen tot dwangarbeid voor de bouwwerven van Organisation Todt in Noord-Frankrijk. Sam Meljado was een van hen. De dag waarop Sam zich meldde in het Centraal Station van Antwerpen was de laatste keer dat zijn vrouw en zoon hem zagen. Samen met 287 andere Antwerpenaren werd Sam naar de Franse Ardennen gebracht. In het werkkamp van Les Mazures werd hij gedwongen om houtskool te produceren. Het werkregime was slopend en de omstandigheden in het kamp waren slecht. Sam werd dagelijks onder begeleiding naar het bos van Huet gestuurd waar hij tussen 7 en 18 uur bomen moest vellen, met slechts één uur pauze doorheen de dag.
Opmerkelijk genoeg genoot Sam, als erkende voetballer, enige bescherming. Lagerführer Döring was een voetbalfan en bleek Sam te kennen. Hij maakte van Sam zijn persoonlijke bediende en op een zondag organiseerde hij zelfs een voetbalwedstrijd met Sam in zijn team.
Op 21 oktober 1942 werden 262 van de 288 mannen per trein naar de Dossinkazerne gebracht. Alle mannen in het werkkamp met de Belgische nationaliteit of die getrouwd waren met een niet-Joodse vrouw mochten blijven. De anderen werden gedeporteerd zodat de nazi’s hun opgelegde deportatiequota voor dat jaar zouden halen. Een dag na aankomst in Mechelen reed de trein als Transport XV naar Auschwitz-Birkenau. Een week na het transport kwam Lagerführer Döring terug uit verlof, hij was woedend toen hij merkte dat Sam mee op het transport was gezet.
Op 26 oktober 1942 kwam het transport aan in Auschwitz-Birkenau. Van daaruit werd Sam naar de kolenmijnen van Jawischowitz gestuurd. Het fysieke werk in de mijnen was slopend voor zijn lichaam. De opgelegde quota waren soms onhaalbaar door honger, zwakte of onwetendheid over hoe het werk te verrichten. Om de paar weken werden er via loting gevangenen geselecteerd die als arbeidsongeschikt werden verklaard. Zij werden naar Auschwitz-Birkenau afgevoerd en naar de gaskamers gebracht. Dat gebeurde ook met Sam Meljado. Begin 1943 werd Sam Meljado, op 37 jarige leeftijd, om het leven gebracht.
Na de oorlog werd Sam herdacht als gevierd voetballer. In verschillende krantenartikels uit 1945 werd zijn dood betreurd en zijn uitzonderlijke voetbaltalent herdacht.
Foto van Sam Meljado, genomen in de jaren 1920. (Collectie van Noa Meljado)
Herdenkingsmedailles en penningen, geschonken aan Sam Meljado voor zijn voetbalprestaties in de Entente Anveroise, 1928, 1931 en 1932. (Collectie van Noa Meljado)
Collage met naoorlogse krantenknipsels (Collectie van Anne and Patricia Turfkruijer)