Zoektocht naar Léa Jurkiewicz of wat een grafmonument ons vertellen kan.

Soms is de reden waarom men een onderzoek start volledig toevallig. Bij het inventarisatieproject  van de hoofdbegraafplaats in de gemeente Dilbeek (d’Arconatistraat) wandelde ik tussen de oudere  graven uit de jaren 1946-1947 op de joodse begraafplaats en trof daar het graf aan van Léa  Jurkiewicz en haar man. (1) 

Het hardstenen grafmonument bestaat uit een achterwand en een liggende grafsteen. Op de  achterwand met pijlers staat centraal de davidster en een bronzen medaillon met een foto van de  jonge vrouw en in bronzen letters de tekst ICI REPOSE / LÉA / JURKIEWICZ / PILS / 16.10.1911 /  28.7.1946. Daaronder hangt een zwarte plaat als herinnering aan haar echtgenoot, met de tekst: ET  SON ÉPOUX / SZAJA JURKIEWICZ. 

Op de liggende grafsteen staat te lezen: ‘A LA MÉMOIRE DE / MOTEL – PILS / 56 ANS / ROSETTE /  JURKIEWICZ / 13 ANS / PÉRIS DANS LES / CAMPS ALLEMANDS.’  

De vraag stelde zich spontaan welke levensverhalen er schuil gingen achter deze grafsteen. Vele  plekken op joodse begraafplaatsen zijn leeg gebleven en zijn een in memoriam voor allen die hier niet  begraven zijn. Ook deze grafzerk laat vermoeden dat er heel wat leed verscholen zit achter de graftekst. Bij het googelen van de naam Jurkiewicz bleek dat de vrolijke blik van de vrouw op de portretfoto ook al de aandacht had getrokken van andere bezoekers van de begraafplaats: “Toen je in  1946 stierf, was je nog maar 35. Je had je vader en je dochter van 13 al afgegeven tijdens de oorlog.  Ze werden op transport gezet naar het eeuwige vergeten en je zou ze nooit meer terugzien. Maar je  vergat ze niet. Je draagt ze met je mee in jouw herinneringen en op jouw grafsteen op de joodse  begraafplaats in Dilbeek. Je stierf jong en je leven kende wellicht weinig vreugde, maar het was niet  zinloos.” (2)

Léa, meisjesnaam Pils, werd geboren in Praga, het stadsdeel van Warschau op de rechteroever van de  Wisla en bezat dus de Poolse nationaliteit.(3) Haar ouders Mosel Pils en Hirs Anna Starkhertz, beiden  geboren in 1886, kwamen vermoedelijk met hun dochter naar België in 1912 en vestigden zich in  Anderlecht, ten zuidwesten van Brussel. Waarschijnlijk zijn ze gevlucht voor de talrijke pogroms en de  onderdrukking van de joodse bevolking. In 1929 huwde hun dochter en in 1932 ruilde het echtpaar hun adres in de Barastraat 81 te Anderlecht in voor de Koningsstraat 12 in Sint-Gillis. In december  1940 lieten ze zich als joods registeren, wat sinds de Duitse verordening van 28 oktober van dat jaar  verplicht werd. (4) Eind 1942 werd Mosel Pils opgepakt en met konvooi XVIII gedeporteerd. Hirs Anna  verbleef een tijdje als kostganger in een joods rusthuis in de IJskelderstraat te Sint-Gillis. Verder zijn  nog diverse andere adressen bekend in Sint-Gillis en Anderlecht, gemeente waar ze op 18 februari  1965 overleed. (5) 

Léa, in Warschau bekend onder de naam Ruchla Laja Pilc, trouwde dus in Anderlecht met Szaja  Jurkiewicz. Na hun huwelijk woonden ze een aantal jaren in de Barastraat 138 en in de Veeartsenstraat  86 in de wijk rond het Zuidstation. Ze kregen drie kinderen: een tweeling Rosa en Greta in 1930 en een zoontje Alain in 1936. Greta leefde slechts twee dagen. Uit archiefdocumenten blijkt dat  Léa niet lang daarna ziek werd en vanaf 1937 herhaaldelijk opgenomen werd, in het Sint 

Pietershospitaal (eind november, begin december 1944) en meerdere malen in “De Dennen” in La  Hulpe-Waterloo, een sanatorium voor behandeling van longtuberculose. (6)

Uit het grafschrift leidden we af dat haar vader Mosel en haar dochter Rosette of Rosa omkwamen in  de Duitse kampen. De zoektocht naar de omstandigheden van hun dood leidde naar de archieven in  Kazerne Dossin in Mechelen. Op 27 juli 1942 opende in Mechelen een SS-verzamelkamp voor Joden  in België. Tussen 1942 en 1944 gebruikten de nazi’s de kazerne als transitgevangenis voor deportaties.  Bij aankomst in deze Dossinkazerne plaatste de kampadministratie de gegevens van de te deporteren  Joden op lijsten. Achter de volgnummers waarmee de gedeporteerden geïdentificeerd  werden, volgden naam en voornaam, geboortedatum en -plaats, nationaliteit en beroep. Bij  nationaliteit staat meestal ‘Staatenlos’ genoteerd. Op de lijst van het achttiende konvooi (XVIII) dat  plaatsvond op 15 januari 1943 staan gegevens over drie leden van de familie Jurkiewicz en Pils.(7) 

 

 

 

 

 

 

 

Bij het volgnummer 172 staat Pils Mosel, Léa’s vader, geboren op 10 oktober 1886 te Warschau, met  als beroep ‘Lederarbeiter’. Op het moment van de deportatie was hij 56 jaar oud, wat overeenkomt  met de vermelding op de grafsteen. 

 

Bij nummer 174 lezen we de naam Jurkowitch Rosette, geboren op 26 februari 1930 te Etterbeek. Het  meisje, toen twaalf, bijna dertien, werd samen met haar grootmoeder langs vaderskant en grootvader  langs moederskant gedeporteerd. 

 

Léa en Szaja 

Léa’s echtgenoot Szaja was dus de oudste van de familie en staat geregistreerd als handschoenmaker. Uit de archieven van de gemeente Dilbeek blijkt dat hij op 16 november 1971 te Etterbeek is overleden  en begraven werd in het graf van zijn echtgenote Léa. (8)

Blijkbaar overleefden ze beiden de oorlog, maar hoe? Het leven van Szaja kan voor een groot deel  worden gereconstrueerd aan de hand van dossiers bewaard in het Rijksarchief en in het archief voor  oorlogsslachtoffers, beide te Brussel.(9) Hieruit blijkt dat Szaja na de oorlog op zoek is gegaan naar  nieuws over zijn twee kinderen. In een administratieve nota opgesteld door de gemeente Sint-Joost-ten-Node op 30 maart 1953 verklaart Szaja aan de adjunct-politiecommissaris dat hij zich tijdens de  Duitse bezetting niet heeft verstopt. Hij wenste wel zijn kinderen in veiligheid te stellen om ze uit de  handen van de Duitsers te houden. Daarom plaatste hij zijn dochter Rosa in een kostschool in Kraainem  bij een persoon met de naam Leduc, verder onbekend. Zijn zoon Alain logeerde bij zijn tante Joséphine  (Fanny), Szaja’s zuster, in Anderlecht in de Grisarstraat. Uit zijn verklaring blijkt dat Szaja in 1953 wist  dat zijn dochtertje was gearresteerd, vermoedelijk rond 14 november 1942. Leduc had via zijn moeder  gehoord over de deportaties van kinderen in Stokkel, een wijk in de oostrand van de Brussel, en heeft  Rosa – samen met een ander kind – ondergebracht bij een vrouw in Kraainem, die toen een  kruidenierszaak had. Maar Rosa werd toch gearresteerd, net als zovele anderen. 

Over zijn zoon Alain vertelde Szaja dat hij met zijn zuster Joséphine in de loop van 1943 gevlucht is  naar Frankrijk met als doel Zwitserland te bereiken. Szaja ontving deze informatie in 1945 en twijfelde  over het uiteindelijke lot van zijn zoontje. 

Szaja gaf zijn zoon Alain en dochter Rosa aan als vermist. Dat blijkt uit documenten van het Belgisch  Commissariaat voor de Repatriëring en Ministerie van Economische Zaken. Opgericht in de zomer van  1944, was de tijdelijke missie van dit commissariaat te zorgen voor een veilige terugkeer van de  Belgische vluchtelingen, gedeporteerden en andere ontheemden. 

Hij deed geen aanvraag om het attest “vermoeden van overlijden” op te maken voor Alain. Hij vroeg dit enkel voor zijn dochter Rosa, omdat hij vernomen had van een verder onbekende vrouw die uit  Auschwitz was teruggekeerd dat ze getuige was geweest van het wegvoeren van Rosa en haar  grootmoeder naar de gaskamers. Toch vinden we ook de naam van Alain terug in het Belgisch  Staatsblad van 1953 waarin het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin een lijst publiceerde ‘Vermoeden van overlijden’: ‘Jurkiewicz, Rosa, geboren te Etterbeek op 26 Februari 1930, dochter van  Jurkiewicz, Szaja-Mordka en van Pilc, Ruchla-Laja, wonende te Vorst, Meloenstraat 56, zonder beroep,  ongehuwd, tussen 15 en 25 januari 1943, te Auschwitz’. In de volgende alinea, staat haar broertje Alain  vermeld: ‘Jurkiewicz, Alain, geboren te Etterbeek op 2 Juni 1936, zoon van Jurkiewicz, Szaja-Mordka en van Pilc, Ruchla-Laja, wonende te Vorst, Meloenstraat 56, zonder beroep, ongehuwd, tussen 31 Juli  en 10 Augustus 1944, te Auschwitz’.  

De zoektocht naar de lotgevallen van Alain leidde naar een website die informatie verzamelt over  konvooi 77, het laatste grote konvooi dat vertrok uit het internerings- en doorgangskamp van Drancy,  ten noorden van Parijs, met bestemming Auschwitz-Birkenau. De website wordt in stand gehouden  door de kinderen, kleinkinderen, naaste familie en vrienden van gedeporteerden uit dit konvooi. De  deelnemers aan dit project leven in verschillende landen en wensen het lot van de 1306 mannen,  vrouwen en kinderen – 324 kinderen jonger dan zestien – die op 31 juli 1944 vanuit Drancy in  veewagens naar Auschwitz vertrokken, te begrijpen en bekend maken. Negen leerlingen van het Edgar  Faurecollege in Valdahon besloten samen met twee leraren om hieraan deel te nemen. Zij schreven  de biografie van Alain Jurkiewicz, die werd gearresteerd in Besançon, een stad in hun regio.(10) 

De informatie voor dit verhaal komt onder meer uit de publicatie van Ruth Fivaz-Silbermann, verbonden aan de universiteit van Genève, over Joden die naar Zwitserland vluchtten.(11) 

Vanaf januari 1942 nemen de invallen bij en deportaties van Joden in heel Europa toe, vooral in België  en Frankrijk. Zwitserland en de vrije zone vertegenwoordigen een laatste hoop op overleving. In de  nacht van 16 op 17 september 1942, rond vier uur ’s ochtends, kwamen vier mensen aan bij de  boerderij van Achille en Agathe Chapatte in het plaatsje ‘Les Roussottes’ bij het dorp Cerneux  Péquignot (kanton Neuchâtel). Ze zijn uitgeput en komen waarschijnlijk te voet uit Morteau, ongeveer  tien kilometer noordwaarts. Het koppel Chapatte besloot hen te helpen.  

Volgens de Zwitserse archieven gaat het om Alain en Joséphine Jurkiewicz, David Chapochnik en Dwora Wajnberg.(12) Gevlucht uit Brussel, wenste Josephine met haar neefje Alain zo snel mogelijk het Poolse  consulaat in Bern te bereiken. In de Val-de-Morteau kregen ze de bescherming en hulp van een heel  netwerk van boeren en smokkelaars. Na een nachtje slapen, belde Agathe Chapatte een taxibedrijf om  hen naar het Poolse consulaat te brengen. De taxi nam de route via Ponts-de-Martel en werd daar tegengehouden door een militaire auto. De bestuurder werd verhoord, de passagiers moesten hun  identiteitspapieren tonen en het voertuig werd doorzocht. Als vluchtelingen werden ze naar de  grenspost gebracht en aangehouden door de Duitse douane bij de demarcatielijn van de niet-bezette zone in Frankrijk en vervolgens opgesloten in de gevangenis La Butte ten westen van Besançon en  afgeleverd in het verzamelkamp van Drancy. 

Anderhalve maand later verliet trein DA 901/35 op 4 november 1942 om 8u55 verliet het station Le  Bourget-Drancy met bestemming Auschwitz. Het jonge stel David en Dwora Chapochnik en Joséphine  Jurkiewicz werden met dit konvooi 40 gedeporteerd, een deportatie zonder terugkeer.(13) Alain werd gescheiden van zijn tante en in het weeshuis van Saint-Hilaire-la-Varenne (nabij Parijs) geplaatst. 

In juli 1944 bezweek het front in Normandië. De geallieerden naderden Parijs en de nazi’s  vermenigvuldigen de konvooien. Een paar dagen voor de razzia in La Varenne (31 juli 1944) verlieten  kinderen ’s nachts het weeshuis met verzetsstrijders. Alain was er echter niet bij, omdat hij reeds eerder gearresteerd werd door de Gestapo. Hij werd naar Drancy gebracht en van daaruit naar  Auschwitz en is waarschijnlijk vergast in de nacht van 4 op 5 augustus 1944. Op 25 augustus 1953  vaardigt het Ministerie van Gezondheid en Gezin een arrest uit waarbij Alain als vermoedelijk  overleden wordt beschouwd. Dit wordt bevestigd door een attest van hetzelfde Ministerie, opgemaakt  op 1 augustus 1955, dat verklaart dat Alain volgens de originele Duitse steekkaart en een lijst van het  konvooi van Drancy, gedeporteerd werd op 31 juli 1944 en nog niet gerepatrieerd werd in 1955. Een  gelijkaardig document bestaat over Rosa Jurkiewicz, uit Mechelen gedeporteerd op 15 januari 1943  met konvooi 18 onder het nummer 174. Nog niet gerepatrieerd in 1953. 

Uit de hierboven reeds vernoemde getuigenis die Szaja aflegde in maart 1953 blijkt dat hij wist dat  Rosa gearresteerd werd door de Duitsers rond 14 november 1942. Over Alain wist hij enkel sinds 1945  dat het Rode Kruis hem had gezien aan de Duits-Zwitserse grens. Szaja hoopte op dat ogenblik dus nog  dat zijn zoontje het gered had. Zijn dossier van oorlogsslachtoffer bevat een enveloppe van een  aangetekend schrijven aan zijn adres, gedateerd 5 september 1953 en uitgevaardigd te Sint-Joost-ten 

Node. Er was echter niemand thuis bij aanbieding en later werd de enveloppe ook niet opgehaald op  het postkantoor. Het aangetekend schrijven ging retour naar afzender, het Ministerie van Gezondheid  en Gezin, gevestigd in het Résidence Palace (Wetstraat 155). Heeft Szaja de inhoud niet gelezen? De  enveloppe bevatte een akte van vermoedelijk overlijden van Rosa. 

Er bestaat in de archieven van de oorlogsslachtoffers geen dossier op naam van Léa Jurkiewicz. Zij  overleed op 28 juli 1946 in het Sint-Pietershospitaal in Brussel en werd begraven op de begraafplaats  van Dilbeek. In 1949 kreeg zij een plek op de joodse begraafplaats. Szaja hertrouwde na haar dood met  Marie-Cathérine Walraevens. Het koppel woonde op verschillende adressen in de omgeving van  Brussel. Szaja Jurkiewicz werd in de naoorlogse periode ook erkend als UNHCR-vluchteling.(14) 

 

Levensomstandigheden 

Het koppel Léa en Szaja Jurkiewicz heeft de oorlog overleefd, terwijl hun twee jonge kinderen in de  kampen zijn gestorven, evenals vele andere familieleden. Over de levensomstandigheden van beiden tijdens en vlak na de oorlog is weinig bekend. Er zijn wel vele getuigenissen bekend van tijdgenoten. 

Zouden de gevangen genomen familieleden terugkeren? Voor Szaja en Léa was het wachten op nieuws  van hun kinderen, die ze gehoopt hadden in veiligheid te brengen. Na de oorlog bleven de materiële  levensomstandigheden voor de meesten moeilijk. Hun huis in Vorst, Meloenstraat 56 was leeggeroofd  door de Duitsers.(15) Na de dood van Léa, bleef Szaja in de Meloenstraat in Vorst wonen, waar na enige  tijd ook Marie-Cathérine Walraevens kwam inwonen. Na hun huwelijk in 1949 woonden ze beiden in  de Hamerstraat in Sint-Joost-ten-Node, later in de Jottrandlaan en de Braemtstraat. Uit de  archiefdocumenten van de vreemdelingenpolitie blijkt dat het een getormenteerd leven was, waarbij  Szaja een paar keer in aanraking kwam met de politie. Een handgeschreven nota van een ambtenaar  uit Vorst gedateerd in 1967, vier jaar voor Szaja’s dood, geeft aan dat Szaja de foto’s van zijn kinderen  terug vroeg die hij jaren eerder aan de politie had bezorgd. Deze vraag van Szaja geeft mede aan hoe  zwaar het moet geweest zijn om na zware jaren van oorlog, ook je echtgenote te verliezen, te  vernemen dat je dochtertje, broers en zusters zijn omgekomen in de kampen en lange tijd onzeker te  zijn over het lot van je zoon of misschien de realiteit niet durven onder ogen zien. 

Het echtpaar ligt samen begraven te Dilbeek. Dochtertje Rosa en haar grootvader kregen een  grafschrift als herinnering. Zoontje Alain niet. Het zijn deze versteende sporen die ons confronteren  met de vaak schrijnende persoonlijke verhalen van Joodse families. 

Bronnen

1. Archief gemeente Dilbeek, Register der begraafplaatsen, Israëlitisch Kerkhof, Perk B, rang VI, plaats 2. De gemeentelijke  archieven geven aan dat er een ontgraving plaatsvond en het graf naar deze locatie werd overgebracht op 4 februari 1949.  Het lag oorspronkelijk op een andere plaats. Dit hangt samen met de aanleg van de Joodse perken in 1946.

2. Koen Demarsin in De Randkrant: https://www.randkrant.be/author/55/koen-demarsin (geraadpleegd op 14  februari 2022). 

3. De transcriptie van namen uit de oorspronkelijke taal, brengt vaak spellingsvarianten met zich mee: Pils/Pilc,  Motel/Mozel, … Steden worden in dit artikel in de spelling gebruikt zoals ze bij ons bekend zijn. 

4. Archief Joods Museum, Jodenregister, vol. 17, f° 287 van 20 december 1940 op naam van Ruchla Pilc.

5. Algemeen Rijksarchief, nationaal vreemdelingendossier nummer 1.568.980: IIskelderstraat 35a te Sint-Gillis,  vanaf 1944 Waversesteenweg 479 te Etterbeek, vanaf 1945 Rossinistraat 56 te Anderlecht, in 1954 in de  Brogniezstraat 55 te Anderlecht en uiteindelijk in de Georges Moreaustraat 36. 

6. In mei 1937, van januari tot april 1938, oktober 1942, september 1944 en oktober 1945 tot eind maart 1946.  Deze data zijn precies bekend omdat het sanatorium in Waterloo verplicht was om aangifte te doen wanneer  vreemdelingen werden opgenomen in de instelling. Algemene instructies van 28 oktober 1936, gepubliceerd in  het Belgisch Staatsblad van 7 november 1936. 

7.  Rijksarchief, Brussel (gedigitaliseerd door Kazerne Dossin), deportatielijst (KD_00013) en Dienst Oorlogsslachtoffers.

8. Archief gemeente Dilbeek, Register der begraafplaatsen, Israëlitisch Kerkhof, Perk B, rang VI en Lijst Joden  begravingen 1971, dossier 1014, 862.1, Israëlitisch Kerkhof, kaft onderhoudskosten. 

9.  Dienst Archief Oorlogsslachtoffers: Jurkiewicz Alain (1936-06-02), dossier ‘Dienst Documentatie en  Opzoekingen’, ref. d252300; Jurkiewicz Rosa (1930-02-26), dossier ‘Dienst Documentatie en Opzoekingen’, ref.  d252299 ; Jurkiewicz Szaja (1905-04-11), dossier ‘Dienst Documentatie en Opzoekingen’, ref. dalpha. Algemeen  Rijksarchief, nationaal vreemdelingendossier nummer 1.568.980.

10. https://convoi77.org/deporte_bio/alain-jurkiewicz/ (geraadpleegd op 16 februari 2022). Op deze website  wordt de vader van Alain geïdentificeerd met Maurice Jurkiewicz, gedeporteerd op 37-jarige leeftijd. Dit klopt  niet, gezien de overlijdensgegevens in de archieven van Dilbeek. Maurice / Moïse Jurkiewicz werd ook in Lodz  geboren in 1905, maar op 16 november. Volgens het Jodenregister was hij kapper en woonde hij in de Eikstraat  4 te Brussel. Hij was gehuwd met Marjem Chawa Ways. Zij hadden een dochter Rachel Jurkiewicz, geboren op  26 juli 1934. Maurice werd vanuit Drancy gedeporteerd naar Auschwitz op transport 42. Moeder en dochter  met transport 17 op 31 oktober 1942 vanuit Dossin Mechelen naar Auschwitz. 

11. Ruth Fivaz-Silbermann , La fuite en Suisse Les Juifs à la frontière franco-suisse durant les années de «la  Solution finale», Paris, Calmann-Lévy, 2020. In de zomer van 1942 werd in Nederland, België en Frankrijk “de  Endlösung van het Jodenvraagstuk” gelanceerd. Duizenden Joden vluchtten richting Zwitserland, via de bezette  zone of de vrije zone. Velen worden tijdens hun reis gearresteerd en gedeporteerd. Sommige bereikten  niettemin de Zwitserse grens. Meer dan 12.500 Joden uit of via Frankrijk werden toegelaten. Bijna 3.000  werden teruggestuurd en aan hun lot overgelaten – niet allen zullen echter bij deportatie omkomen. Ruth  Fivaz-Silbermann beschrijft nauwkeurig de weg die Alain Jurkiewicz heeft afgelegd. 

12. David Chapochnik (Saposnik) is herkenbaar op een foto genomen te Brussel in de jaren 1930 (tweede van  links) gepubliceerd in Kazerne Dossin: Holocaust & mensenrechten, Tijdsbeeld & Pièce Montée ism Kazerne  Dossin, Gent / Mechelen, 2019, p. 65. Over de lotgevallen van de familie Zimmerman-Saposnic (Chapochnik),  zie: Joost Loncin, Geheime routes en netwerken: Joodse kinderen op de vlucht voor de Holocaust, Leuven,  Davidsfonds, 2003, p. 15-19.

13. https://lesdeportesdesarthe.wordpress.com/convoi-n-40-du-4-novembre-1942 (geraadpleegd op 24  februarie 2022). 

14.  Algemeen Rijksarchief, nationaal vluchtelingendossier nummer C57.875.

15. Brief aan het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin uit 1967 betreffende het ‘attestation de  spoliation’, dossier archief oorlogsslachtoffers op naam van Jurkiewicz Szaja.

Publicatieinfo

www.kazernedossin.eu

Kathleen Leys