Azriel Gejer werd op 27 juli 1924 geboren in Dubno, een stad in het huidige Oekraïne die tijdens het interbellum deel was van Polen. De vader van Azriel, Pinchas Gejer, stierf enkele jaren na Azriels geboorte. Azriels moeder, Rywka Feldman, was ernstig ziek en kon niet alleen voor hem zorgen. Ze vroegaan Azriels oudere zus, Rachela Gejer (°10 november 1910 in Milcza), of zij en haar echtgenoot Mordka Uszer Warsztacki (°28 juni 1902 in Praszka) Azriel in huis konden nemen. Rachela en Mordka woonden in Brussel, waar Mordka handelsvertegenwoordiger was bij een bedrijf voor fournituren.
Na een laatste zomervakantie bij zijn moeder in Dubno kwam Azriel in september 1938 naar België. Hij was op dat moment veertien jaar oud. Azriel woonde bij zijn zus en schoonbroer in de Hoevestraat 48 in Sint-Joost-ten-Noode en gingen naar de middelbare school in de Dwarsstraat. Later verhuisde de familie naar de Gaucheretstraat 1 in Schaarbeek.
Een jaar nadat Azriel naar België emigreerde, vielnazi-Duitsland zijn geboorteland Polen binnen. Op 10 mei 1940 werd ook België aangevallen. De anti-Joodse maatregelen volgden elkaar snel op. Azriel moest zich inschrijven in het Jodenregister en werd samen met zijn zus Rachela en schoonbroer Mordka verplicht lid van de Vereniging der Joden in België. Hij mocht geen niet-Joodse school meer bezoeken en moest vanaf juni 1942 de vernederende gele ster op zijn borst dragen. Toch slaagde Azriel erin tot begin 1944 te ontsnappen aan de deportaties naar Auschwitz-Birkenau die vanaf augustus 1942 vanuit de Dossinkazerne in Mechelen plaatsvonden. Toen Azriel op 22 februari 1944 in het SS-Sammellager Mecheln geregistreerd werd, waren al meer dan 24.000 Joden en Roma vanuit het kamp gedeporteerd. Azriel werd als nummer 92 op de lijst van Transport XXIV gezet. De meeste Joden in België waren ondergedoken uit angst voor de deportaties, waardoor het steeds moeilijker werd om de transporten, die normaal gezien uit 1000 mensen bestaan, gevuld te krijgen. Zelfs met de deportatie van meer dan honderd Joden die al maanden of jaren gedwongen in het verzamelkamp werkten, vertrok Transport XXIV op 4 april 1944 met “slechts” 629 mensen aan boord.
De reis in goederenwagons duurde drie dagen: op 7 april ondergingen de gedeporteerden op de Judenrampe tussen Auschwitz en Birkenau de selectie. Bijna de helft werd rechtstreeks naar de gaskamers gestuurd. Azriel, slechts 19 jaar oud, werd voor de dwangarbeid geselecteerd en tot het kamp toegelaten. Op zijn arm werd het nummer 179769 getatoeëerd. Azriel bleef bijna een jaar in het kamp. Toen in januari 1945 Sovjettroepen het kampcomplex naderden, besloot de SS-kampleiding alle gevangenen die nog enigszins konden wandelen naar concentratiekampen in Duitsland te verplaatsen. Tijdens de beruchte Dodenmarsen werden de gevangenen zo goed als zonder voedsel gedwongen door de vrieskou te trekken of werden ze in open goederenwagons gezet. Ook Azriel werd zo naar het kamp Buchenwald bij Weimar gebracht. Hij werd er vastgehouden vanaf 22 januari 1945, totdat het kamp op 11 april 1945 eerst door het goed georganiseerde interne verzet overgenomen en vervolgens door het Amerikaanse leger bevrijd werd. Velen van de meer dan 20.000 overlevenden waren er na maanden of zelfs jaren in de Duitse kampen slecht aan toe. Azriel is sterk verzwakt en kwamt de schade berokkend door de dwangarbeid en de Dodenmars niet meer te boven. Hij werd op 1 juni 1945 nog gerepatrieerd naar België, maar stierf reeds drie dagen later in het Sint-Pieterssziekenhuis in Brussel.
Azriels zus Rachela Gejer en haar echtgenoot Mordka Uszer Warsztacki werden niet gedeporteerd en overleefden de oorlog.