Berek Surowicz, een Poolse mecanicien, migreert in november 1925 van Warschau naar Antwerpen, waar hij samen met zijn echtgenote Dwojra Hechtkopf een winkel in ijzerwaren opent. Hun vijf zonen – Chaskiel, Szmul, Lejb, Abram en Zelik – springen bij waar nodig. In mei 1940 maakt het gezin in Antwerpen het begin van de bezetting mee. Berek Surowicz, Dwojra Hechtkopf en hun vier jongste zonen trekken een jaar later naar Parijs. In de lente van 1942 worden zij alle zes thuis opgepakt en in de infanteriekazerne Tourelles geïnterneerd. Bereck Surowicz en zijn vier zonen vertrekken op 22 juni 1942 met deportatietransport 3 vanuit Drancy naar Auschwitz-Birkenau. Bij aankomst in het kamp worden alle mannen uit deze trein getatoeëerd. Een vlektyfusepidemie eist echter al snel zijn tol. Volgens de Auschwitz Sterbebücher (overlijdensregisters) sterft Bereck Surowicz (47) op 25 juli 1942, zijn zonen niet lang daarna : Abram (19) op 13 augustus, Zelik (18) op 15 augustus en Lejb (21) en Szmul (22) beiden op 18 augustus 1942. Ook hun moeder overleeft de deportatie met transport 22 vanuit Drancy naar Auschwitz-Birkenau niet. Elk spoor van Dwojra Hechtkopf (55) verdwijnt bij aankomst op 23 augustus 1942.