Charles Grabiner en Debora Brandstädter

Charles Grabiner is geboren in België, in Antwerpen, Nottebohmstraat 2, en Debora Brandstädter is zeer jong vanuit Polen naar België gekomen. Ze zijn getrouwd in Antwerpen in 1938.

Op 17 april 2017 interviewde Kazerne Dossin mevrouw Renée Grabiner om haar getuigenis vast te leggen en een fout recht te zetten betreffende de identificatie en de bijbehorende tekst bij een foto van haar ouders opgenomen in deel 2 (pagina 312) van het boek Mecheln-Auschwitz, 1942-1944. De vernietiging van de Joden en zigeuners van België (uitgeverij VUB press, 2009). De foto in kwestie is in werkelijkheid de trouwfoto van mevrouw Debora Brandstädter en meneer Charles Grabiner. Kazerne Dossin wil hun geschiedenis delen, eerst en vooral om de gemaakte fout die wij zeer betreuren recht te zetten, maar ook om een stem te geven aan een van de zeer jonge oorlogsslachtoffers. Als weeskind is mevrouw Renée Grabiner getekend door het trauma en de naoorlogse psychologische gevolgen hiervan. Museum Kazerne Dossin is mevrouw Grabiner zeer erkentelijk voor haar getuigenis.

Huwelijksfoto van Charles Grabiner en Debora Brandstädter. Kazerne Dossin
Huwelijksfoto van Charles Grabiner en Debora Brandstädter. Kazerne Dossin

Ik heet Renée Grabiner. Ik ben de dochter van Charles Grabiner en Debora Brandstädter. Mijn vader is geboren in België, in Antwerpen, Nottebohmstraat 2, en mijn moeder is zeer jong vanuit Polen naar België gekomen. Ze zijn getrouwd in Antwerpen in 1938 en verhuisden uiteindelijk naar Brussel, Neufchâtelstraat 34 in Sint-Gillis. Ik ben geboren op 13 augustus 1941. Tijdens de oorlog waren mijn ouders allebei lid van het verzet. Ze werden gerekruteerd door Abusch Werber. Aangezien Joodse kinderen niet meer werden toegelaten tot de stadsscholen, gaven mijn ouders les in een Joodse school die speciaal werd opgericht zodat de kinderen toch de illusie van een normaal leven hadden.

In 1942 werd ik verstopt door het Joods Verdedigingscomité. In de geheime administratie die gecodeerde informatie bevat over de verblijfplaats van elk ondergedoken kind, kreeg ik het nummer 1419. Ik werd ondergebracht bij mevrouw Maria Willems, een verzorgster die erkend was door het NWK (Nationaal Werk voor Kinderwelzijn). Mijn ouders werden thuis opgepakt tijdens de razzia van 3 op 4 september 1943. Op 4 september kwamen zij in de Dossinkazerne aan. Ze werden allebei naar Auschwitz gedeporteerd met transport XXII B op 20 september 1943. Volgens de directe naoorlogse getuigenis van een gerepatrieerde is mijn vader gestorven aan tyfus tijdens het ruimen van de overblijfselen van het getto van Warschau. Mijn moeder is direct vergast. Over haar bestaat er geen getuigenis. De Thora schrijft voor dat een dode zeer vlug begraven moet worden… en snel na de rouwperiode moet men de draad van het leven terug oppikken. Maar de nazi’s vermoordden de Joden en gaven hen geen begrafenis, geen teraardebestelling. Er bleef geen enkel spoor van hen over. Dat is de reden waarom de overlevenden en de ondergedoken kinderen de levende monumenten van hun ouders zijn, van hun naasten. Museum Kazerne Dossin heeft als missie deze verdwenen mensen te herdenken want hier worden foto’s, documenten en uitzonderlijke getuigenissen verzameld.

In 2009 heeft het museum een boek gepubliceerd. De vier delen bevatten alle namen en teruggevonden foto’s van de mensen gedeporteerd vanuit de Dossinkazerne. Het is een belangrijk werk. Op pagina 312 van het tweede deel van Mecheln-Auschwitz, 1942-1944. De vernietiging van Joden en zigeuners van België staat de foto van mijn ouders (zie beneden). Maar de namen onder de foto en de bijbehorende legende betreffen andere mensen. Door hun naam niet te noemen werd de herinnering en het laatste spoor van mijn ouders opnieuw uitgewist en deze vaststelling deed me bijzonder veel hartzeer. Ik heb meermaals gevraagd de waarheid eer aan te doen. Jammer genoeg beschikte het museum niet over voldoende middelen om dit boekdeel opnieuw te publiceren. Door deze fout vandaag recht te zetten, valt er een gewicht van mijn schouders dat ik al meedroeg sinds de publicatie van dit boek.

Ik wil ook deze gelegenheid aangrijpen om de aandacht te vestigen op de specifieke trauma’s van baby’s die net als ik werden verstopt. Men heeft lang gedacht dat baby’s nog geen bewustzijn hebben ontwikkeld, dat zij dus nog geen trauma ervaren door de scheiding van hun ouders. Er verschijnen echter steeds meer publicaties van auteurs die het tegendeel vaststellen. Hoe meer een pijnlijke gebeurtenis niet bewust beleefd is omdat het geheugen van een kind nog niet genoeg ontwikkeld was, hoe pijnlijker die gebeurtenis blijft en hoe zwaarder deze vervolgens doorweegt. Ik was bijna 18 maanden oud toen ik verstopt werd, ik herinner me het gezicht van mijn ouders niet. Er rest me geen enkele herinnering, al dan niet verbeeld, van mijn vader of moeder – en dat is vreselijk. Ik heb lange tijd geprobeerd om een herinnering boven te halen met foto’s, maar tevergeefs.

Het is misschien choquerend om het te zeggen, maar voor mij is de oorlog pas begonnen toen hij geëindigd is. Na de oorlog bevond ik mij opnieuw in een omgeving die ik niet kende. Ik ben onder de voogdij geplaatst van mijn oom Kopel Brandstätter, de broer van mijn moeder. Hij was getrouwd met Malvina Löwenwirth. Ook zij waren slachtoffers van de oorlog, moesten vluchten van onderduikplaats naar onderduikplaats. Mijn oom is gedeporteerd vanuit Mechelen, maar heeft uit de trein kunnen springen voor het transport de Belgische grens bereikte. Zij hebben veel geleden onder het verlies van heel wat naaste familieleden.
Ik kan niet voldoende benadrukken in welke mate het echtpaar Brandstätter-Löwenwirth (foto hieronder) moed en geduld heeft getoond opdat ik zou kunnen opgroeien. In het begin toen ik bij hen woonde, was het moeilijk. Ik huilde zonder ophouden, wilde niet eten, verdroeg geen enkel contact, enz. Lange tijd kon ik de aanblik van een koffer niet verdragen. Een koffer inpakken was voor mij zeer pijnlijk omdat het me veel te veel herinnerde aan de periode direct na de oorlog toen ik voortdurend werd verplaatst van het ene naar het andere adres. Wat mijn leven heeft gered, is de geboorte van een baby in het gezin. Een klein meisje, genaamd Judith, kwam op 1 december 1945 ter wereld. Ik ben beginnen praten en verwerken dankzij dit kind. Ik was ervan overtuigd dat zij naar me luisterde en me begreep. Eindelijk iemand die ik kon vertrouwen!

 

Mijn puberteit was moeilijk. Ik wilde niet studeren, ik wilde niets. Ik vroeg me af waarom ik er was, waarom mijn ouders me niet hadden meegenomen zodat we samen konden blijven. Waarom ze zichzelf niet beter hadden beschermd om mij te beschermen. Beetje bij beetje, dankzij mijn liefdevolle, begripvolle familie die een veilige omgeving voor me creëerde, ben ik een evenwichtige volwassene geworden. Pas toen ik 50 jaar werd ben ik beginnen vertellen en mijn verhaal naar buiten brengen.

Meteen na de oorlog hebben mijn ouders postuum een medaille ontvangen voor het clandestiene werk dat zij tijdens de oorlog hebben gedaan als leden van “Secours Mutuel” dat afhing van het Joods Verdedigingscomité, op zijn beurt onderdeel van het Onafhankelijkheidsfront en de Communistische Partij. Ikzelf heb als zesjarig kind tijdens een ceremonie die medaille, vormgegeven door beeldhouwer Ianchelevici, in ontvangst genomen. Ik heb het ter harte genomen om, zelfs in de periode waarin getrouwde vrouwen de naam van hun echtgenoot aannamen, de naam van mijn vader aan te houden. Ik draag de naam Grabiner zodat hij blijft leven.

 

Wij bedanken van harte mevrouw Grabiner voor haar getuigenis. Zij heeft de moed gehad om te reageren toen zij de fout ontdekte in de legende van het boek, een fout die wij ten zeerste betreuren. Wij vragen haar ons te excuseren voor deze fout en voor de zeer laattijdige correctie. Door deze correctie eren wij de ouders van mevrouw Grabiner. Hun enige dochter, wees van de Shoah, heeft ondanks alles een familie gesticht, heeft twee kinderen en vijf kleinkinderen. Aan het einde van het interview zei mevrouw Grabiner nog: “Ik beschouw mijn leven als een overwinning op het totalitarisme en het nazisme. Vandaag is de situatie wereldwijd eveneens dramatisch, een dergelijke boodschap overbrengen is een voortdurende strijd. De geschiedenis zou een middel moeten zijn om begrip te creëren en tot daden aan te zetten, om te vermijden wat er vandaag opnieuw gebeurt, vooral in Syrië. Ik bedank allen die dit museum mee tot stand hebben gebracht, in stand houden en zij die doorzetten om bij te dragen aan een betere toekomst.”