Elsa Rosenzweig

Elsa Rosenzweig werd op 19 april 1896 in Kostel geboren als dochter van Netti Kellner (°22 september 1872 in Lundenburg) en Joseph Rosenzweig (°15 november 1859 in Kostel). In 1923 trouwde ze in de Weense Synagoge van Landstrasse met handelaar Joseph Kraus (°2 mei 1889 in Melnik). In Landstrasse woonden Elsa en Joseph in de Adamsgasse 7, waar op 18 februari 1924 hun zoon, Erich Kraus, geboren werd.

Wanneer Oostenrijk op 13 maart 1938 door nazi-Duitsland geannexeerd werdt, golden in het land ook alle anti-Joodse wetten die sinds 1933 in het Reich van kracht waren. Vanaf 1939 moesten Joodse vrouwen zoals Elsa de tweede naam “Sara” aannemen, Joodse mannen de tweede naam “Israël”. Zo veranderden Elsa en Joseph in Sara-Elsa en Joseph Israël. Het paar kreeg het schijnbaar niet over hun hart ook de naam van hun zoon af te laten nemen, want hij behield zijn geboortenaam Erich Kraus. Zoals meer dan 150.000 Joden die er vanaf 1938 in slaagden uit Oostenrijk te vluchten, zochten ook Elsa, Joseph en Erich een uitweg. Via contacten in Nederland en Italië konden ze een visum van het Belgische consulaat in Genua bemachtigen. Samen met een tiental andere Joodse vluchtelingen vloog de familie op 27 juni 1939 van Wenen naar Haren, waar op dat moment het nationale vliegveld van België lag.

De Belgische politie stond echter wantrouwig tegenover de paspoorten van de vluchtelingen. Iedereen werd gearresteerd voor het bezit en het gebruik van valse identiteitsbewijzen. Joseph werd naar de gevangenis van Sint-Gillis gebracht, Elsa en Erich woonden onder toezicht in een Brussels hotel. Hoewel het Belgische consulaat in Genua bevestigde dat de visa wel degelijk authentiek waren, werd Joseph op een trein naar Duitsland gezet. Hij slaagde er echter al snel in de grens terug over te steken en voegde zich weer bij Elsa en Erich, die ondertussen in een pension op de Boulevard Adolphe Max in de Belgische hoofdstad verbleven. De familie wilde echter niet in België blijven: de oude werkgever van Joseph, tevens een goede vriend van hem, woonde met zijn vrouw in Conklin, een stadje bij New York, waar hij een successvolle melkboerderij had. Het paar in Amerika sponsorde de Amerikaanse visumaanvraag van Elsa, Joseph en Erich. De aanvraag werd goedgekeurd en de familie werd op de wachtlijst gezet. Er waren echter zo veel hoopvolle vluchtelingen en migranten uit Centraal-Europa dat het gezin niet aan de beurt kwam voor het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Joseph verkeerde inmiddels niet meer in de beste gezondheid. Bovendien leidde zelfs de Duitse invasie van België op 10 mei 1940 er niet toe dat het Belgische Gerecht zijn interesse in de zogenaamde visumvervalsing verloor. Joseph besloot naar Frankrijk te vluchten, Elsa en Erich bleven in Brussel, waar ze in Schaarbeek woonden. Erich werkte inmiddels in de industrie en werd opgeleid als landbouwer, misschien met zicht op een toekomst in de Verenigde Staten. Dit toekomstbeeld zou echter nooit realiteit worden: eind juli 1942 ontvingen Elsa en Erich een tewerkstellingsbevel of “Arbeitseinsatzbefehl” van de nazi’s. Ze moesten zich bij de pas geopende Dossinkazerne melden voor “arbeid in het Oosten.” Erich was de elfde persoon die in de Dossinkazerne werd geregistreerd. Moeder en zoon verlieten Mechelen op 4 augustus 1942 met het eerste transport naar Auschwitz-Birkenau. Op 5 augustus kwam de trein met wagons derde klasse aan. Of Elsa als dwangarbeider tot het kamp toegelaten werd, valt niet te zeggen. In ieder geval overleefde ze de oorlog niet. Erich werd met zekerheid geselecteerd voor dwangarbeid, maar bezweek iets meer dan een maand later op 18 september 1942 op achttienjarige leeftijd. Joseph Kraus werd op 31 augustus 1942 met transport 26 vanuit Drancy naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Ook hij heeft de oorlog niet overleefd.

Lila Thielemans
Stagiair
Laatst bijgewerkt op 25/07/2025

Feedback