Fanny Kornblum

Om aan het kamp te ontsnappen, heb je meerdere mirakels nodig […]. Zonder mirakel raak je er niet uit.” Met die woorden spreekt Fanny Kornblum over haar ervaring met de kampen wanneer cineast  Luckas Vander Taelen haar portretteert in De laatste getuigen. Fanny heeft haar eigen mirakels gekend. De Brusselse Joodse werd vanuit Mechelen naar Auschwitz gedeporteerd, daarna overgeplaatst naar het kamp in Bergen-Belsen waar ze uiteindelijk bevrijd werd. Maar vooral: ze maakte deel uit van het orkest van het vrouwenkamp in Birkenau.

Fanny Kornblum voor de oorlog - Bron: KD Reliques

Fanny Kornblum wordt geboren in Anderlecht op 12 februari 1926. Haar ouders zijn Poolse Joden. Haar kleine zus Hélène wordt geboren in 1931. Daarna scheiden haar moeder Frieda Szmulewicz en haar vader Benjamin Kornblum. In de jaren voor de oorlog groeit Fanny op bij haar familie – haar moeder, haar zus, haar grootouders langs moeders zijde, haar tantes en nonkels. Ze wonen in de Joodse wijk in Sint-Gilles, waar Fanny ook naar de lagere school gaat. Wanneer de oorlog uitbreekt, verbiedt de bezetter jongeren vanaf 15 jaar om hun studies verder te zetten. Fanny is net geen 15 in februari 1941, ze is de enige Joodse uit haar klas die nog naar de les kan en haar diploma van middelbaar onderwijs behaalt.

Volgens een getuigenis van haar Duits-Joodse neef was haar moeder Frieda alert voor anti-Joodse maatregelen. Wanneer Fanny een bevel voor vrijwillige tewerkstelling ontvangt, zet Frieda haar familie aan om van adres te wijzigen. Een bevriend koppel laat hen een huis huren in Sint-Gilles, waar Frieda zich schuil houdt samen met haar dochters, een zus en haar moeder. Ondanks hun discretie en voorzorgen, worden ze op een zaterdagochtend – waarschijnlijk na verklikking – aangehouden door de Sipo-SD en naar de Dossinkazerne in Mechelen gebracht.

Fanny en haar familie komen aan in Mechelen begin juni 1943. Ze verblijven meer dan zes weken in de Dossinkazerne: waar de Joden aanvankelijk geacht werden snel door te reizen, hebben de nazi’s het nu steeds moeilijker om genoeg personen te verzamelen om een konvooi op te stellen. De familie Kornblum lijdt geen honger tijdens hun verlengd bezoek: Frieda ontvangt pakjes van verschillende vrienden. De inhoud deelt ze uit in de slaapzaal. Fanny wordt geregistreerd met nummer 541 op de lijst van het XXIste konvooi, dat vertrekt op 31 juli 1943 “in een hitte! […] Ik denk niet dat ik ooit een zomer gekend heb zoals deze”. Frieda, Fanny, haar jongere zus Hélène, haar grootmoeder en haar tante worden drie dagen opgesloten in een beestenwagon zonder drank en eten. De bewaking was verstrengd na de vele ontsnappingen uit het XXste transport. In de wagon vallen geen woorden.

Wanneer de deuren opengaan, is de trein aangekomen op de Judenrampe, de stopplaats tussen kamp Auschwitz en kamp Birkenau. Gedetineerden in uniform laten hen uitstappen uit de trein. Afgaand op hun toestand, houdt Fanny hen voor veroordeelden en criminelen: “Ik stond er zelfs geen seconde bij stil dat ik uiterlijk twee dagen later in dezelfde toestand zou verkeren. Dat is zelfs niet bij me opgekomen.” Vrachtwagens waar ze rode kruisen op hadden getekend, brengen 70% van de mensen op transport XXI direct naar de gaskamers. Fanny, 16 jaar, wordt net als haar moeder niet op de vrachtwagen gezet. Ze zien Hélène, 11 jaar, samen met haar grootmoeder en tante vertrekken. Ze zullen hen nooit meer terug zien.

Nadat ze te voet zijn aangekomen in het kamp van Birkenau, worden de twee vrouwen kaal geschoren en getatoeëerd. Fanny krijgt het nummer 51859. In het kamp moeten ze putten graven met een pikhouweel. Op een avond kondigt één van de gedetineerden in hun barak aan dat ze een vrouwenorkest oprichten. Frieda moedigt haar dochter aan om zich te presenteren. Ze krijgt een plek in het orkest, niet alleen omdat ze mandoline speelt, maar ook omdat ze partituren kan lezen dankzij haar vioollessen. Vanaf dan verblijven Fanny en haar moeder in verschillende barakken, maar ze kunnen elkaar elke avond even zien.

De vrouwen van orkest mogen het kamp niet verlaten en krijgen dus niet de kans om extra voedsel te bemachtigen of in contact te komen met bevoorrechte gedetineerden. Daartegenover staat dat ze minder fysiek werk moeten verrichten dan andere gedetineerden. Omdat ze hun muziekbarak delen met Arische Poolse vrouwen, maar ook met de notoire orkestchef en gekende violiste Alma Rosé, ontsnappen ze aan de selecties. Ondanks haar voordelige situatie krijgt Fanny tyfus en wordt ze naar het hospitaalkamp Le revier gestuurd. Ze slaagt erin er terug weg te komen voor een volgende selectie, die haar waarschijnlijk fataal zou geworden zijn. Haar moeder ziet ze niet meer terug. Op 15 september 1944 zorgt het bijzondere statuut van haar blok ervoor dat ze niet bij de executie van Mala la Belge was.

Eind september worden de kamparbeiders van Birkenau met een trein overgeplaatst naar Bergen-Belsen. Ze komen daar aan op 2 november 1944. Later zal Fanny ontdekken dat ze op transport zat met de intussen wereldberoemde Anne Frank en haar zus Margot. Fanny en haar Joodse vriendinnen van het orkest worden aanvankelijk samengepakt met honderden andere gedetineerden – volledig overbevolkt – in tenten aan de kant van het kamp. Wanneer een hevige storm de tenten doet invallen, worden ze naar de barakken van het kamp zelf gebracht. Een hevige tyfusepidemie velt haar vriendinnen enkele dagen voor de bevrijding van het kamp door de Britten. Met een lot gestolen aardappelen houden ze het uit tot hun aankomst op 15 april 1945.

De terugtocht is lang en verloopt in etappes: Fanny wordt meegenomen tot in Hanover, waar ze een treinticket naar Eindhoven krijgt, vandaar reist ze verder naar Antwerpen en uiteindelijk tot in Brussel. Ze komt aan in het Noordstation, waar ze herkend wordt door een vriendin. Ze ziet haar tante, haar nonkel en een nichtje terug. Ze nemen haar een tijd in huis en zorgen voor haar. Veel later vindt ze werk en ontmoet ze Louis Birkenwald, ze trouwt met hem en ze krijgen twee dochters. Ze getuigt over haar ervaringen tijdens de Holocaust in scholen. In 2004 is Fanny Kornblum overleden.

Camille Van Oostveldt,
Masterstudente geschiedenis aan de UCL, en stagiaire bij Kazerne Dossin