Félicie werd geboren op 29 december 1931. Félicie woonde samen met haar ouders, Feiwel en Ilse, in Antwerpen. Félicie was acht jaar toen de nazi’s op 10 mei 1940 België binnenvielen. Félicie en haar ouders waren Joods en moesten zich houden aan de steeds strenger wordende anti-Joodse verordeningen. In 1942 werd een razzia georganiseerd in de straat waar het gezin woonde. Een buurman verraadde het gezin dat maar net aan een arrestatie kon ontsnappen. Daarop besloot Feiwel om op zoek te gaan naar een onderduikadres voor zijn gezin en enkele andere familieleden.
In juni 1943 overleed Félicies grootvader op hun onderduikadres. Toen de familie zich de volgende ochtend voorbereidde op een clandestiene begrafenis, viel de SS het huis binnen. Feiwel kon een Duitse officier ervan overtuigen dat Félicie niet zijn dochter was, waardoor ze mocht achterblijven bij enkele andere familieleden die een Zwitsers paspoort hadden.
Félicies ouders kwamen in de Mechelse Dossinkazerne terecht. Ze schreven brieven naar hun dochter en smeekten haar redders om goed voor haar te zorgen. Op 20 september 1943 werden Feiwel en Ilse op Transport XXII A gezet en naar Auschwitz-Birkenau gebracht. Ze overleefden de deportatie niet.
Na de arrestatie van haar ouders was het te gevaarlijk voor Félicie en haar familie om op het onderduikadres te blijven. Er werd een nieuwe onderduikplek gevonden in een klooster. Daar bracht Félicie de rest van de oorlog door en overleefde ze. Ook haar grootmoeder, tante en neef overleefden. Na de oorlog werd Félicie opgevoed door haar grootmoeder. Ze bleef haar hele leven blijven getuigen over wat ze had meegemaakt en overleed op 6 juli 2018 op 86-jarige leeftijd.