Gezin Vos-Nabarro

Deze Nederlandse Joden uit Antwerpen, Emilius Vos, Rebecca Nabarro (28), hun kinderen Isaak (5), Andries (4) en Herman (3), wonen in wat men de Jodenbuurt noemt. Dit is het gebied waar de tweede grote nachtelijke razzia van de Endlösung doorheen trekt. Ze worden op 29 augustus 1942 in de Dossinkazerne afgeleverd voor transport 7. Deze trein die Mechelen op 1 september 1942 verlaat, stopt in Kosel. Emilius Vos wordt verplicht uit de trein te stappen, en is gedwongen zijn vrouw en drie kinderen achter te laten. In dit transport, waarvan 85 procent van de vrouwen bij aankomst wordt vergast, is een moeder met drie kinderen ten dode opgeschreven. Emilius Vos is de enige die in 1945 nog in leven is. Hij maakt deel uit van de vijftien overlevenden van zijn transport die, zoals hij, in Kosel waren uitgestapt om dwangarbeid te verrichten in de kampen van Opper-Silezië. Hij heeft achtereenvolgens in Kleinmangersdorf, Trzebinia, Annaberg en Blechhammer gezeten, waar hij op 1 april 1944 getatoeëerd wordt met zijn Auschwitz-stamnummer, 178 886. Hij loopt de dodenmars naar het kamp Gross-Rosen, en vervolgens naar Buchenwald, waar hij op 30 mei 1945 bevrijd wordt … zonder gezin.
Gedeporteerd vanuit de Dossinkazerne op 1 september 1942 met transport 7
Isaak, de oudste, Herman, de jongste, Andries, de middelste, hun moeder Rebecca Nabarro en hun vader Emilius Vos, een diamantbewerker van 31 jaar oud, in 1940