Liselotte Emilie Jungmann

Liselotte Emilie Jungmann werd op 2 december 1909 in Berlijn geboren. Het gezin Jungmann bestaande uit Max Jungmann (°15 maart 1877 in Leipzig),Catharina “Käthe” Traube (°9 oktober 1884 in Berlijn) en hun kinderen Walter Julius Jungmann (°2 februari 1908 in Berlijn) en Liselotte Emilie woonden ze op Emserstraße 3 in de West-Berlijnse buurt Wilmersdorf.

In augustus 1930 emigreerde Liselotte naar België om er in Brussel voor haar oom Paul Philipp (°14 december 1881 in Berlijn) te werken. Samen met Paul Philipp, zijn vrouw Alice-Gabrielle Basch (°6 mei 1886 in Brussel) en hun zonen André Philipp (°12 december 1911 in Schaarbeek) en Max Philipp (°24 december 1912 in Schaarbeek) woonde ze in de Nieuwstraat 46 in de Brusselse Vijfhoek. Paul Philipp en Alice-Gabrielle Basch baatten er een winkel van het Duitse, en later Franse, prêt-à-porter merk Etam uit. Het gebouw waarin de winkel gevestigd was, werd ontworpen door de bekende art-nouveau architect Paul Hamesse. Het hele gezin woonde boven de winkel en werkte in de handel: Paul nam het contact met het moederbedrijf voor zijn rekening, Alice-Gabrielle leidde de winkel, en Liselotte werkte in de verkoop en expeditie.

Eind 1939 vluchtten de ouders van Liselotte – Max en Käthe – naar België. Ze waren niet van plan te blijven, maar gingen samen met Liselotte’s broer Walter Julius naar Brits Palestina. Liselotte bleef in de Belgische hoofdstad. Toen de nazi’s België op 10 mei 1940 binnenvielen, volgden de anti-Joodse verordeningen elkaar in snel tempo op. Eind 1940 werd Liselotte in het nieuwe Jodenregister opgenomen. Tegen 1942 moest ze de vernederende gele ster ten allen tijde zichtbaar op haar borst dragen. De Joden werden stelselmatig uitgesloten van de economie: het werd verboden om openbare beroepen zoals leerkracht, advocaat en journalist uit te oefenen, en Joodse ondernemingen werden door affiches gekenmerkt. Hierna werden bedrijven en winkels van Joden onteigend en overgedragen aan niet-Joodse mensen.

Maar deze maatregelen waren slechts het begin van de Jodenvervolging: eind juli 1942 ontving Liselotte een Duits “Arbeitseinsatzbefehl” of tewerkstellingsbevel. Ze moet zich melden in het pas geopende SS-Sammellager Mecheln, zogezegd om “in het Oosten” tewerkgesteld te worden. Tussen 27 en 31 juli 1942 werden 1000 mensen in de Dossinkazerne geregistreerd voor het eerste transport naar Auschwitz. De meesten van hen meldden zich met een tewerkstellingsbevel. Liselotte was de 573e persoon die geregistreerd werd. Op 4 augustus 1942 vertrok Transport I naar Auschwitz-Birkenau. Een dag later, op 5 augustus 1942, kwam de trein aan. De meeste gedeporteerden werden geselecteerd voor de dwangarbeid, maar 254 mannen en vrouwen werden meteen naar de gaskamers in Birkenau gebracht. Op dat moment bevonden deze zich nog in twee omgebouwde huizen van onteigende Poolse families. Eufemistisch werden de gaskamers “het kleine rode huis” en “het kleine witte huis” genoemd naar de kleur van de muren. De lijken werden nog niet verbrand, maar in een massagraf begraven. Of Liselotte nog dwangarbeid heeft verricht is onduidelijk. Haar spoor verdwijnt bij aankomst in Birkenau. Ze overleefde de deportatie niet.

De ouders en broer van Liselotte slagen erin Brits Palestina te bereiken en overleven de oorlog. Liselotte’s oom Paul, zijn vrouw Alice-Gabrielle, en hun zonen André en Max worden evenmin gedeporteerd en blijven ook na de oorlog in Brussel wonen.

Lila Thielemans
Stagiair
Laatst bijgewerkt op 25/07/2025

Feedback