Lotte Katscher werd geboren in Wenen op 11 juni 1921 als dochter van Sigmund Katscher en Margarethe Singer. Vader Sigmund overleed voor de aanvang van de Tweede Wereldoorlog. In januari 1939 stak Lotte illegaal de grens tussen Duitsland en België over. Ze ging in Antwerpen wonen terwijl ze wachtte op haar visum om naar Brazilië te trekken.
Lotte had de reis alleen gemaakt en had geen familie in België. Haar zus Kitty verbleef op dat moment in het Verenigd Koninkrijk, van waaruit ze haar zus in België financiële steun stuurde. Lotte trouwde op 29 augustus 1939 met Rudolf Goldschmied. Hij was een technieker in de textielindustrie die net als Lotte afkomstig was uit Wenen. Rudolf was in november 1938, na de Kristallnacht, naar België gevlucht. Hij woonde in Antwerpen en wachtte daar op zijn visum om naar Peru te verhuizen.
Op 10 mei 1940 vielen de nazi’s België binnen. Lottes man Rudolf werd gearresteerd door de Belgische autoriteiten samen met duizenden andere vluchtelingen die recent uit het Reich waren gevlucht. Ze werden ervan verdacht te collaboreren met de Duitse invasietroepen. Onder de gevangenen waren heel wat Joden die het land ontvlucht waren. Rudolf verbleef in gevangenschap in verschillende kampen en kwam in handen van de nazi’s terecht. Op 28 augustus 1942 werd hij in Drancy op Transport 25 richting Auschwitz-Birkenau gezet. Daar werd hij om het leven gebracht.

Lotte Katscher bleef al die tijd in Antwerpen. Ze volgde de steeds strenger wordende anti-Joodse verordeningen en liet zich registeren in het Jodenregister. In januari 1942 verhuisde ze naar Brussel, waar ze in de zomer van dat jaar gearresteerd werd. Ze werd eerst vastgehouden in de gevangenis van Sint-Gillis en van daaruit overgebracht naar de Dossinkazerne op 27 juli 1942. Het kamp was toen net geopend. In de Dossinkazerne wist ze de kampadministratie ervan te overtuigen om haar aan te stellen als verpleegkundige, ook al had ze geen medische opleiding gevolgd. Lotte hielp tijdens haar verblijf de andere gevangenen en redde ook het leven van onder andere Sara Eckmann door haar ook als verpleegkundige te laten aanstellen.
Lotte bleef meer dan 2 jaar in de Dossinkazerne. Ze kwam aan op de openingsdag en verliet de kazerne pas toen die, in de nacht van 3 op 4 september 1944, bevrijd werd door het Britse leger. Een paar weken na de bevrijding keerde Lotte terug naar Brussel, waar ze probeerde om haar leven weer op te bouwen. Haar zus Kitty en moeder Margarethe hadden de oorlog ook overleefd. Lotte hertrouwde in 1950 met Bernard Blinbaum, een Joodse kleermaker en zakenman. Bernard werd net als Lotte lange tijd in de Dossinkazerne vastgehouden. Hij werd gearresteerd op 4 december 1942 omdat hij deel uitmaakte van het verzet en bleef tot en met 26 juli 1943 in gevangenschap. Lotte en Bernard verhuisden in 1950, kort na hun trouw, naar de Verenigde Staten.
