Moise Guttman werd geboren op 5 februari 1890 in de stad Jassy, in Roemenië. Op 16-jarige leeftijd verhuisde hij naar Boekarest, waar hij in 1909 trouwde met zijn eerste echtgenote Sophie Schwarz, geboren op 6 september 1891 te Botoşani, Roemenië. Na hun huwelijk vertrok het koppel naar Wenen. Nadat, tijdens de Eerste Wereldoorlog, Roemenië aan Oostenrijk-Hongarije de oorlog verklaarde, werd Moise in zijn eigen huis aangehouden. Van 1916 tot 1918 leefde hij in gevangenschap. Na de Eerste Wereldoorlog besliste het gezin, wellicht uit economische motieven, om een Oostenrijks reispaspoort aan te vragen. Moise en Sophie kwamen op 19 juni 1923 in België aan en vestigden zich in Brussel. Het echtpaar vroeg half oktober 1923 een definitieve verblijfsvergunning aan, maar het ministerie van Industrie en Arbeid vond dat er in België geen geschikte plaats was waar het koppel een kledingzaak kon vestigen en weigerde bijgevolg hun aanvraag.
Het gezin keerde daarop (voor januari 1924) naar Wenen terug, waar Moise in een kunstwol-fabriek ging werken. Twee van zijn kinderen werden ernstig ziek en belandden in het ziekenhuis. Moise besloot om met zijn zus, die hij liet doorgaan als zijn echtgenote, richting België te vertrekken. Zijn werkelijke echtgenote Sophie en hun kinderen bleven in Wenen achter. Moises werkgever zat in met het lot van Sophie en bracht de politie in Brussel op de hoogte van de situatie van het gezin, in de hoop dat de Belgische overheid Moise naar Wenen zou terugsturen. Dit gebeurde echter niet.
Moise kwam op 25 februari 1924 in het gezelschap van “zijn echtgenote” (eigenlijk dus zijn zus) België binnen. Ze woonden eerst een kleine maand in Sint-Joost-ten-Node en daarna in Brussel stad (Rue des Dominicains). Moise verdiende ongeveer 300 Belgische frank per week als kledingmaker. De Brusselse politie registreerde officieel pas op 29 januari 1925 dat Moise en zijn zus Lilly Guttman op de Anspachlaan woonden. Begin februari 1925 arriveerde er toevallig een brief van Sophie Schwarz bij de Brusselse politie waarin ze vroeg waar haar echtgenoot momenteel verbleef. In de brief verklaarde ze dat Moise haar verlaten had in 1924 en naar België vertrokken was. Moise antwoordde niet op haar brieven en ondertussen moest Sophie zelf voor hun 2 zieke kinderen zorgen. Aangezien ze hier als alleenstaande moeder niet in slaagde en aangezien Moise volgens haar goed verdiende als kleeermaker en verkoper, was Sophie genoodzaakt om haar oudste zoon, Tobias (14 jaar), naar Moise in België te sturen. Moise en Sophie scheidden officieel op 15 november 1927.
In 1932 trouwde Moise met Ruchla Kajla Kiper, zij werd geboren op 22 juli 1899 te Warschau. Ruchla kwam op 2 juni 1927 aan in België met als doel haar familie te helpen in hun meubelzaak in Antwerpen. Aan de gouverneur van de provincie Antwerpen verklaarde ze zelf commercieel/financieel verbonden te zijn aan haar broer Icchuk die aan het hoofd van de familiezaak te Antwerpen stond. Ruchla verhuisde toen ze nog alleenstaand was verschillende keren binnen Antwerpen. Samen met Moise woonde ze op 2 adressen in Brussel. Later verhuisden ze naar Doornik. In de periode dat het koppel te Doornik woonde kreeg het hun eerste zoon. Claude Daniel kwam ter wereld op 7 augustus 1934 te Antwerpen. Hun tweede zoon Henri Marcel werd geboren op 24 mei 1937 te Doornik. In juni 1938 verhuisde het gezin naar Sint-Joost-ten-Node om in september 1938 weer terug naar Luik te keren. Het gezin woonde 4 jaar op Rue Sainte Marguerite 42, tot ze in 1942 een laatste maal verhuisden naar de Rue de l’Yser 391 te Ans. Waar en hoe het gezin is opgepakt, blijft onbekend. Moise, zijn vrouw en twee jongste kinderen werden op 25 september 1942 in de Dossinkazerne te Mechelen geregistreerd, en de dag erna, op 26 september 1942, met transport XI naar Auschwitz-Birkenau gevoerd. Niemand van hen overleefde de deportatie.