Bijzonder Transport Z van 13 december 1943 naar Buchenwald en Ravensbrück.
Het lot van Raphaël Bilé, zijn familie en vrienden, Sefardische Joden met de Turkse nationaliteit.

Een eerbetoon van Sonja Bilé
Op 13 december 1943 vertrekt het eerste van de vier zogenaamde bijzondere transporten. Onder de 132 personen bevindt zich ook mijn grootoom Raphaël Bilé, zijn vrouw Calo Halila, zijn schoonbroer David Bitchatchi, Jacques Halila (neef van Calo) en zijn echtgenote Dora Galimidi met hun kinderen Ida en Corine. Daarnaast ook enkele van hun vrienden en kennissen uit de gemeenschap van Turkse Sefardische Joden in België samen met een aantal Hongaarse, Roemeense en Spaanse Joden.

Raphaël Bilé

Raphaël Bilé (°1893) is de broer van mijn grootvader Leon Bilé (°1882). Hun verhaal begint in Smyrna (huidige Izmir in Turkije – toen nog het Ottomaanse Rijk) waar ze, net zoals hun vier zussen, worden geboren in een Sefardisch Joods gezin met roots die in Izmir teruggaan tot tenminste 1750.
Het economische verval van het Ottomaanse Rijk, de armoede en het stijgende antisemitisme, samen met de dienstplicht in het leger in het conflict met de Grieken begin 20ste eeuw, zorgen ervoor dat een ware diaspora op gang komt. De jonge zonen uit vele gezinnen, wat later gevolgd door de rest van de families, vertrekken naar het buitenland (meestal Franssprekende of Spaanssprekende landen). Zo ook mijn grootvader Leon die zich in 1903 eerst in Parijs vestigt bij zijn neef en 5 jaar later naar België verhuist waar kort daarop ook zijn 11-jaar jongere broer Raphaël hem vervoegt. Drie van hun vier zussen emigreren vanuit Izmir via Rhodos naar Noord en Zuid-Amerika. De vierde zus blijft na hun emigratie uit Izmir samen met hun moeder-weduwe op het eiland Rhodos wonen. Mijn overgrootmoeder sterft er op bejaarde leeftijd in 1940. Dochter Caden Bili en haar man Giacobbe Levi worden met de razzia op Rhodos op 23 juli 1944 naar Auschwitz gedeporteerd.

Grootvader Leon leert in 1909 Marie Wiebou, mijn grootmoeder, zijn Belgische niet-Joodse vrouw, kennen in haar geboortestad Blankenberge. Ze krijgen drie kinderen en blijven er wonen en werken tot hij geheel onverwachts sterft aan een beroerte in juni 1927. Zijn aanvraagprocedure voor de Belgische nationaliteit wordt kort daarvoor goedgekeurd en zou hem net één maand later officieel toegekend worden. Door haar huwelijk in 1910 heeft mijn grootmoeder de Belgische nationaliteit verloren en wordt ze Turkse, net zoals hun drie kinderen die nochtans allemaal in Blankenberge geboren worden. In 1926 verandert de wet waardoor ze, na de dood van haar man, de kans krijgt om toch haar Belgische nationaliteit terug te vragen alsook voor de kinderen die nu officieel Belg kunnen worden. Dertien jaar later zal dit van cruciaal belang blijken…

Broer Raphaël is intussen in 1921 in Antwerpen gehuwd met Calo Halila, een Sefardische Joodse uit Istanbul. Aanvankelijk wonen ze op verschillende adressen binnen de Joodse wijk. Het koppel blijft kinderloos. Door hard werken slaagt hij er na een zekere tijd in om samen met zijn schoonbroer David Bitchatchi, gehuwd met Calo’s zus Sarah, zelf een huis aan te kopen op de hoek van de Van Wesenbekestraat en het De Coninckplein om er een zaak van stoffen en kledingaccessoires in onder te brengen. Beide koppels hebben hun appartement elk op een verdieping boven de winkel. Ze stellen het goed en hebben het heel erg naar hun zin in hun nieuwe leven dat ze in België hebben weten op te bouwen.

Ook na de dood van zijn geliefde broer Leon in 1927 houden Raphaël en Calo zeer nauw contact met mijn Blankenbergse grootmoeder en haar kinderen. Ze steunen haar ook financieel en de oudste dochter, mijn tante Mathilde, mag in Antwerpen komen werken in de winkel van een bevriende Joodse kennis.

De oorlog verandert echter alles. Vanaf 1941 heeft Raphaël zijn winkel op bevel van de Duitse bezetter moeten sluiten, ondanks zijn inspanningen om via aanvragen een uitzondering te bekomen vanwege zijn Turkse nationaliteit. In het voorjaar van 1942 krijgt hij als antwoord dat hij maar naar Turkije had moeten terugkeren, en wel vȯȯr een bepaalde datum die toen in feite al verstreken was. Via de Jodenvereeniging in België (JVB) en met de bijstand van een advocaat verdedigt hij zich. Aan het “Generalkonsulat” in Parijs, waaronder ook Vlaanderen ressorteert, meldt hij dat hij nooit door geen enkele instantie is verwittigd te moeten terugkeren naar Turkije en daarom ook niet in fout kan worden gesteld. Hij weigert alsnog om naar zijn land van herkomst terug te keren, ook omdat hij absoluut wil verhinderen dat hij zijn hele nieuw opgebouwde leven dat hij sinds zijn immigratie in België in 1911 van nul af, en met veel hard labeur, heeft weten te bereiken, zou moeten achterlaten. Hij vindt dat hij een eerlijke burger is die altijd zijn rechten en plichten heeft vervuld zoals het hoort, en men hem dus niets te verwijten heeft. Hij is ervan overtuigd zich met deze gegronde en rechtvaardige redenen tegen de Duitse autoriteiten te kunnen verdedigen…

In 1942 figureert Raphaël op de salarislijst van de firma “BAU-ERBES K.G.” in het noorden van Frankrijk. Hij is opgevorderd om er van 20 september 1942 tot 17 oktober 1942 aan de Atlantik Wall te werken en verblijft in een gesloten kamp in Ferques. Toch slaagt hij erin om naar Antwerpen terug te keren waarschijnlijk omdat hij door zijn Turkse nationaliteit een “politiek” statuut heeft. De meeste Joodse dwangarbeiders werden vanuit Noord-Frankrijk onmiddellijk naar Mechelen en verder naar Auschwitz op transport gezet.

Slechts een jaar langer kan hij nog in Antwerpen blijven. Het contact met de familie in Blankenberge is natuurlijk veel beperkter dan voordien, maar toch niet onbestaande. Er wordt een min of meer regelmatige briefwisseling heen en weer in stand gehouden, wat achteraf gezien een best gevaarlijke onderneming was.

Vijf dagen vȯȯr hun arrestatie heeft Raphaël aan zijn nicht (dochter van zijn overleden broer Leon Bilé) en de rest van zijn Blankenbergse familie nog een “laatste” radeloze brief geschreven. Daarin zegt hij te zullen worden opgepakt en wie weet waarheen gebracht te worden niettegenstaande zijn Turkse nationaliteit.
Het is zeer uitzonderlijk dat hij dat vooraf wist. Er is tot op heden geen ander geval bekend waar dat ook zo was. Normaal werden mensen opgepakt zonder voorafgaande verwittiging.

Op 26 oktober 1943 tenslotte, vijf dagen na het versturen van de brief, worden Raphaël, zijn vrouw Calo en zijn schoonbroer David Bitchatchi opgepakt en in de Dossinkazerne gevangen gezet. Davids vrouw Sarah was daags tevoren in het ziekenhuis in Borgerhout opgenomen en verbleef er tot ze er in augustus 1944 stierf. De reden van de opname, noch de oorzaak van het overlijden zijn bekend.

Deze radeloze laatste brief is tot op heden bewaard. Hij werd per post verstuurd en kon gemakkelijk in verkeerde handen zijn gevallen. Dat is gelukkig niet gebeurd, want anders waren mijn grootmoeder, mijn vader en mijn beide tantes in Blankenberge mogelijks eenzelfde lot beschoren. De kinderen Bilé waren immers “Mischlinge” of half-Joden. Dat mijn grootmoeder niet-Joods was en ze nu terug de Belgische nationaliteit hadden nadat hun vader Leon Bilé al dertien jaar eerder was overleden, heeft deels hun redding betekend.

Later zijn zij zich blijven afvragen waarom oom Raphaël toen in die laatste 5 dagen, toch niet gevlucht en ondergedoken is. De enige zinnige verklaring hiervoor hebben zij altijd geweten aan zijn zeer sterk geloof in de rechtvaardigheid van de mens en het ongeloof in tot wat de Duitsers in staat zouden zijn, ondanks de vele geruchten die de ronde deden.

Op 13 december 1943 vertrekt zijn groep van “salle Z” in de Dossinkazerne (132 Joden van hoofdzakelijk Turkse, Hongaarse en Roemeense  nationaliteit) als “politieke Joden” naar Buchenwald en Ravensbrück. Waarom “Z” is nog steeds niet duidelijk. Het verwijst niet naar Z van zigeuners want dat waren ze niet en ook niet naar Z van “Sondertransport” dat in het Duits met een S geschreven wordt. Tijdens hun verblijf van ongeveer twee maanden wordt hij, zoals vele anderen, mishandeld door een zekere commandant Boden die zijn wapenstok op Raphaëls hoofd heeft stuk geslagen.
De groep vertrekt op 13 december niet rechtstreeks uit Mechelen, maar wordt per vrachtwagen naar het station Brussel Noord gebracht van waaruit ze in een reizigerswagon vertrekken. Op een zeker ogenblik wordt de groep gesplitst. De 68 mannen gaan naar Buchenwald en de 64 vrouwen en kinderen naar Ravensbrück.

Naast de 28 transporten vanuit Mechelen naar Auschwitz-Birkenau, mag men niet uit het oog verliezen dat er ook nog vier zogenaamde “bijzondere” transporten geweest zijn. Ze krijgen wat minder aandacht en zijn daarom minder bekend omdat ze slechts kleine groepen betreffen (0,8 percent van de uit Mechelen gedeporteerden) en ze zich bovendien onderscheiden van de andere transporten doordat de bestemming geen uitroeiingscentrum, maar een concentratiekamp was.

Dat had alles te maken met het feit dat deze mensen het statuut van “politieke Joden” hadden en onder een speciaal regime vielen, afhankelijk van de diplomatieke en militaire relaties van hun land van oorsprong. Aanvankelijk werden ze nog gespaard, maar uiteindelijk komt in de herfst van 1943 ook daar een einde aan en worden ze tenslotte toch gedeporteerd. Dat ze onder het zogenaamde “politieke” statuut vallen om later eventueel tegen Duitse krijgsgevangenen te worden “geruild”, is duidelijk een nogal gemakkelijk masker dat door het Duitse regime werd voorgehouden. In enkele uitzonderlijke gevallen is er effectief wel een klein aantal ruilen gebeurd, maar voor de overgrote meerderheid was het lot van politieke gevangenen niets minder dan “Vernichtung durch Arbeit”.

Hun lot kwam dus uiteindelijk op hetzelfde neer als die van de grote groep slachtoffers van Auschwitz-Birkenau. Het enige verschil was dat de sterkste onder hen nog een kleine kans maakten om de maanden van slavenarbeid en onmenselijke levensomstandigheden met veel geluk te overleven terwijl de meeste mensen in Birkenau bijna onmiddellijk werden vergast. Uiteindelijk hebben 72 mensen van de 132 mannen, vrouwen en kinderen uit transport Z van 13 december 1943 deze hel overleefd.

Het regime in Buchenwald

Voor mij verduidelijkte hoofdarchivaris van Buchenwald, Mevrouw S. Stein, alle nog bestaande documenten : er gebeurde een minutieuze “inschrijving” van de nieuwkomers.
Op 15 december 1943 kwam het transport aan en werden eerst enkele weken in het “kleine kamp” in blok 60 in “quarantaine” gehouden alvorens in het hoofdkamp in blok 22, het Judenblock, te worden ondergebracht.
Als politieke gevangenen droegen ze een rode driehoek, maar omdat ze tevens Jood waren, werd een gele driehoek onder de rode geplaatst zodat beide samen een Davidster vormden. Daarin kwam nog de afkorting van hun nationaliteit, in Raphaëls geval “Tü”.

 

Rolf Kralovitz, overlevende van Judenblock 22, beschrijft in zijn boek “ZehnNullNeunzig in Buchenwald – ein jüdischer Häftling erzählt” uitvoerig de levensomstandigheden en gebeurtenissen vanaf het moment van aankomst in het quarantainekamp tot en met de overplaatsing naar blok 22 in het hoofdkamp. Het geeft ons een uniek inzicht in het dagelijks leven van de gevangenen en een minutieuze beschrijving van de voorzieningen in blok 22. Net als Raphaël is hij ingedeeld in een “Baukommando” en schetst hierover de gang van zaken in zijn boek.
Tevens leren we dat er één maal per maand correspondentie toegestaan was met hun naasten in kamp Ravensbrück. Het is dus erg waarschijnlijk dat Raphäel zal geweten hebben dat zijn vrouw Calo in april 1944 in Ravensbrück overleden was.

 

Op de “Effektenkarte” werd alles genoteerd wat de gevangene als kledij aan had en in zijn koffer bij had. Dat  alles moest worden ingeleverd en werd nauwgezet genoteerd en tenslotte door de gevangene zelf ondertekend.

Tenslotte is er nog de “Arbeitskarte“: daarop wordt vermeld in welk arbeidskommando de gevangene wordt ingedeeld. Die werkplaatsen gaan van eerder licht (kantoorwerk) tot middelzwaar (keuken, binnen- arbeid, tuinarbeid, enz) tot zwaar (bouwarbeid in de omstaande wapenfabriek, of andere bouwwerkzaamheden rondom het kamp), tot uiterst zwaar (de alom gevreesde steengroeve, ten zuiden van het kamp).

Mevr. Stein legde uit dat volgens Raphaëls arbeidskaart hij op 19 januari 1944 ingedeeld werd bij arbeidskommando 45 wat een bouwkommando was. Ze benadrukte dat deze datum perfect aansluit bij zijn aankomst op 15 december 1943, gevolgd door ongeveer vier quarantaineweken in het “kleine kamp”. Dat hij bij een bouwkommando terechtkwam, kan het gevolg zijn geweest van zijn fysieke mogelijkheden en ook dat hij eerder al in 1942 in de bouw van de Atlantikwall was tewerkgesteld geweest, alhoewel dat natuurlijk niet met zekerheid kan worden gesteld. Net naast “45” staat in een iets donkerder handschrift geschreven: 11/6 Wille. Dat is de datum waarop hij werd overgeplaatst naar het ‘Aussenlager Wille’ in Tröglitz/Rehmsdorf.

Tweede en zwaarste fase van Raphaëls gevangenschap : kamp “Wille” in Rehmsdorf

De transportlijst voor de overplaatsing naar het Auβenlager Wille” in Tröglitz/Rehmsdorf (zie afbeelding 1 onderaan)

Deze lijst is pas in de laatste jaren opgedoken uit het archief van Buchenwald, en is door slecht kopiëren van het originele document in ‘doorslagpapier’ moeilijk leesbaar. De lijst is opgemaakt per nummer van de gevangenen (niet alfabetisch volgens naam). De stamnummers van transport Z uit Mechelen gaan van 2270 tot iets meer dan 30000 en komen dus voor op de goed leesbare eerste pagina.

Bij nazicht en vergelijking van deze lijst met de lijst van konvooi Z uit Mechelen is gebleken dat 17 van de 68 mannen op de transportlijst voor kamp Wille voorkomen. Dit lijkt op een weloverwogen keuze om deze groep te viseren. De verwijzing “DIKAL” [darf in kein anderes Lager] die oorspronkelijk op hun transportlijst werd gestempeld omdat ze als ruilmiddel zouden worden gebruikt, wordt hiermee al teniet gedaan. Ook Raphaël Bilé behoort tot het nieuwe transport. De datum van 11 juni 1944 is nog net leesbaar onder de erbij geschreven datum in potlood en wordt ook bevestigd in enkele andere documenten.

AuβenlagerWille, het bijna “vergeten” kamp (buitenarbeidskamp afhankelijk van Buchenwald) Het kamp Wille werd pan in de lente 1944 opgericht om de door het Amerikaanse bommenoffensief beschadigde BRABAG fabriek in Tröglitz (Oost-Duitsland) te herstellen en terug op te starten. Deze “modelfabriek” onder leiding van de Heer Wille, Nazisympathisant met relaties in de hoogste kringen, produceerde sinds 1934 synthetische brandstoffen uit bruinkool, nodig voor de Duitse oorlogsmachine.

Onder het SS-motto : “Vernichtung durch Arbeit” werden vooral Joodse politieke gevangenen uit Buchenwald als werkkrachten ingezet om door slavenarbeid te worden uitgeroeid. Zo konden steeds nieuwe “ladingen” gevangenen aangevoerd worden.

Op 4 juni 1944 kwamen de eerste 200 gevangenen aan. Een inderhaast opgezet tentenkamp in nabijgelegen Gleina moest voorlopig de dienst uitmaken. Zeer snel echter werd duidelijk dat dit absoluut ontoereikend was, want nieuwe transporten van telkens ongeveer een 1000-tal mensen, kwamen aan op 11 juni, 15 juni, 22 juni, 20 juli en 8 september.
De omstandigheden in dit kamp waren ronduit onbeschrijfelijk en men besloot in augustus 1944 toch maar een nieuw kamp met stenen barakken te bouwen in het dorpje Rehmsdorf (ongeveer 50km ten ZW van Leipzig, voormalige DDR) drie kilometer verwijderd van de Brabag fabriek in Tröglitz.

Tegen straffe van boete moest en zou het kamp klaar zijn tegen eind december. Omdat alle arbeid zo goed als met “blote handen” werd uitgevoerd, en omdat het terrein veel steenafbraak en smurrie bevatte, kon deze deadline voor het volledige project niet gehaald worden en dus werd aan een aantal elementaire voorzieningen verzaakt, zoals stromend water, sanitair en genoeg barakken voor alle gevangenen.

In deze omstandigheden werd in de nacht van 31 december 1944 op 1 januari 1945 het kamp Wille”  “verhuisd” van het  tentenkamp in Gleina naar het barakkenkamp in Rehmsdorf. De verhuis gebeurde ’s nachts opdat de inwoners van het dorp niets zouden merken. Het zweetvocht liep van de nog natte gemetste muren en het was er bitter koud. Januari 1945 kende temperaturen van -20°C. Water moest dagelijks aangevoerd worden vanuit de fabriek, maar werd grotendeels opgebruikt voor de keuken, waardoor er geen water was voor persoonlijke hygiëne. Elke dag moest er drie kilometer dwars doorheen het dorp gestapt worden van en naar de fabriek om 12 uren te werken. Voeten verzworen door de vele verwondingen van de klompen, die sommigen nog met wat gevonden ijzerdraad aanbonden. Eén getuige vertelt hoe zijn klompen in zijn voeten waren vergroeid-veretterd.

Hoe het er in de ziekenboeg aan toe ging, vertelt Thomas Yeo in zijn getuigenis:

De ziekenboeg hier was zo mogelijk nog erger dan in het tentenkamp van Gleina. Het lag in een afzonderlijk deel in het midden van het kamp en bestond uit 2 barakken voorzien voor 300 personen maar  eigenlijk ‘volgestouwd’ met 1250 personen. Binnen was er geen sanitaire voorziening, zodat patiënten met  longontsteking, dysenterie, tuberculose en tal van andere aandoeningen naar buiten moesten in de latrines. Op de bankbedden lagen 3 mensen op de plaats van 1 en het werd steeds moeilijker om de doden van de levenden te onderscheiden. Soms lieten de levenden bewust de doden naast zich liggen om hun rantsoen voedsel te kunnen krijgen.

De waanzin ging onverminderd verder en Thomas voegt er nog aan toe :

Elke dag dacht ik het ergste te hebben gezien wat maar mogelijk is, en elke nieuwe dag zag ik iets wat nog erger was dan de dag tevoren. Het ‘hospitaal’ bezat 1 bedpan, 1 thermometer, 1 schaar, enkele papieren verbanden, een beetje iodine – substituut en een kleine hoeveelheid Chlorethyl. Dat alles om 1250 patiënten te verzorgen, wiens etterende wonden eigenlijk dagelijks verschoond moesten worden. Elke dag verergerde de miserie, het lijden en de gruwel die ons omringde. Soms wist ik niet of ik nog leefde, of ik misschien in de hel was. Ik weet niet hoe we bij ons verstand konden blijven. De dood was overal rondom ons, in elke mogelijke vorm. We waren volledig afhankelijk van de willekeur en grillen van enkele honderden SS van het ergste soort. We leefden in een eeuwig durende nachtmerrie.

Het is duidelijk dat deze hel bijna zo goed als onoverkomelijk was en heel veel erger dan Buchenwald. Alleen de mensen die van nature uit fysiek sterk waren, samen met een ijzersterke wil en een grote dosis geluk, hadden nog enige kans. De gemiddelde overlevingsduur was 5 weken. Wie al een tijdje in Buchenwald in een bouwkommando tewerkgesteld was geweest, was in zekere zin wel iets beter “voorbereid”, aldus mevrouw Stein.

Dagelijks vielen er doden die aanvankelijk naar de crematoria op de plaatselijke begraafplaatsen werden  gebracht. Aan het personeel van die crematoria verbood de SS de namen van de slachtoffers in te boeken. Dat was in de beginperiode echter toch gebeurd, zodat nu nog steeds een namenlijst van slachtoffers bestaat die op deze begraafplaatsen zijn bijgezet. We weten nu dat de as van Joseph Malalel, overleden op 10 december 1944 (door enteritis) en van Israel Misrahi, overleden op 24 november 1944 (door hartinfarct) is bijgezet in Ostfriedhof GERA, sectie Vlc/4a.
Als gevangenen te ziek of te zwak waren, werden ze “gesorteerd”, teruggestuurd naar Buchenwald of meteen naar Birkenau getransporteerd om te worden vergast, en vervangen door een “verse lading” werkkrachten.

Bergen-Belsen maart 1945

Als in het voorjaar 1945 de geallieerden beginnen te naderen, stuurt men nog één transport zieken terug, dit keer naar Bergen-Belsen, waar op dat moment zowat van overal transporten met zieken en stervenden aankomen, omdat men er nergens anders meer blijf mee weet.
Op dit enige transport van Rehmsdorf naar Bergen Belsen op 8 maart 1945 bevindt zich ook de totaal zieke en uitgemergelde Raphaël Bilé en Jacques Aron, niet langer “arbeidsbekwaam”.
Grootoom Raphaël Bilé wordt bij aankomst in Bergen-Belsen nog geregistreerd en is dus nog in leven. Helaas komt hij vier weken later niet meer voor op de bevrijdingslijsten. Aangenomen wordt dat hij in één van de vele massagraven op het terrein begraven ligt; massagraven die de Britten onmiddellijk hebben laten graven (o.a. door de gevangen SS) en die tot op vandaag onaangeroerd gebleven zijn als waardig aandenken aan de slachtoffers.

Rehmsdorf 6 april 1945 : het kamp, met de nog resterende 2500 gevangenen met onder hen nog tenminste drie personen uit transport Z uit Mechelen, moest in allerijl geruimd worden omdat de Amerikanen naderden. Het is de bedoeling ze allemaal, ook de zieken en zelfs de nog overblijvende doden, met een treintransport in open kolenwagons (waarin ze rechtstaand gedrumd werden) naar Theriesiënstadt te transporteren. Elk spoor van het bestaan van het kamp moest worden uitgewist. De bombardementen hadden de spoorlijnen echter zodanig beschadigd dat de trein slechts na 3 pogingen in 48 uur kon vertrekken vooraleer definitief Rehmsdorf te verlaten. De mensen kregen de gehele tijd niets te eten of te drinken. Na ongeveer acht dagen ononderbroken in de trein, die steeds weer moest stoppen door beschadigde sporen, of om van een nieuwe locomotief te worden voorzien, komt hij bij het station Marienburg-Gelobtland aan op 15 april 1945 (in het Ertsgebergte – Oost-Duitsland) waar een nieuw bombardement plaats vindt.
Onderweg zijn reeds vele mensen gestorven. Slechts af en toe worden enkele broden over de hoge rand van de wagons gegooid. De toestand is schrijnend. Bovendien is het die aprilmaand zeer koud en sneeuwt het af en toe. De nog amper levende gevangenen moeten zich van uitputting neerzetten op de lijken van hun dode kameraden.

Tijdens het bombardement ontstaat tumult waarbij enkele SS-bewakers hals over kop in het nabijgelegen woud wegspringen. Er heerst een korte oproer en sommige moedige gevangenen die nog voldoende kracht bezitten, maken van de gelegenheid gebruik en vluchten het bos in, niet wetende waar ze zich bevinden, maar vastberaden de vrijheid te vinden. Onder hen ook een groep, geleid door “Maurice”, pseudoniem voor Wing Commander Forest Yeo Thomas, de helper bij de ziekenboeg. Hij is er na een ongelofelijke tocht van ontbering en honger en gevaar toch in geslaagd de geallieerde linies te bereiken.

De trein bereikt na nog enkele stopmomenten en al of niet geslaagde vluchtpogingen de omgeving van het station Reitzenhain bij de Tsjechische grens. De geallieerde bombardementen hervatten. Weer vluchten bewakers en gevangenen die er nog toe in staat zijn uit de wagons naar alle kanten, het woud in, het station in, het dorp in. In de hele oproer blijven de SS schieten op alles wat beweegt. Wie terug gevangen wordt genomen, wordt onherroepelijk neergeschoten. Het stationsgebied is het toneel van een bloedbad dat geen weerga kent. Overal liggen “bergen” lijken. Bewoners getuigen van de bestiale gedragingen van de SS die stervende, zieke, uitgeputte mensen nog slaan, knuppelen en schoppen tot ze voor dood liggen. Deze hel duurt twee dagen.

Aangezien de trein nu helemaal niet meer verder kan, besluit de commandant de nog resterende gevangenen in groepen in te delen en te voet (80 km) naar Theresienstadt te trekken. Deze vreselijke dodenmars eist opnieuw enkele honderden doden. Na verscheidene dagen komt op 21 april 1945 uiteindelijk een groep van naar schatting 1500 mensen in Theresienstadt aan. Ongeveer de helft onder hen heeft daar de bevrijding door de Russen op 8 mei 1945 niet meer gehaald. Van de ongeveer 2500 tot 3000 gevangenen uit Rehmsdorf hebben het er uiteindelijk slechts een 800-tal overleefd.

Uit de groep van het transport uit Mechelen zijn enkele mannen kunnen ontsnappen uit deze helse evacuatietocht, hetzij in Marienburg Gelobtland, hetzij in Reitzenhain, hetzij in andere stopplaatsen van de trein. Ze hielden zich schuil tot ze de bevrijde linies konden bereiken. Het betreft in ieder geval Henri Averbuk, Wilmos Precz en Jacques Halila.

De getuigenis van Henri Averbuk na de oorlog stemt volledig overeen met de gebeurtenissen, beschreven door Lothar Czoßek in zijn werk “Vernichtung. Auftrag und Vollendung“.

Henri Averbuk beschrijft het vertrek naar Buchenwald op 15 december 1943 en vertelt verder over het transport van een deel van de groep naar Rehmsdorf op 11 juni 1944.

Hij noemt Mantali, overleden op weg naar Buchenwald, en Mizrahi, overleden te Rehmsdorf (bevestigd door de lijst van bijzetting van de as in het kerkhof van Gera).

Verder noemt hij als “vertrokken als ziek” vanuit Rehmsdorf: Aron Bili (Bilé) en Moutal (bevestigd door de transportlijsten naar Bergen-Belsen)

Tenslotte doet hij het verslag van kamp Rehmsdorf. Hij noemt een aantal van 6000 gevangenen. Bij aanvang van de verschrikkelijke evacuatiereis meldt hij een aantal van 2300 en de vermelding van 500 doden bij de bombardementen, 200 vermoord door de Duitsers en 100 begraven bij Reitzenhain.

De enige twee nog in Duitsland overgebleven originele barakken zijn die van kamp Wille in Rehmsdorf. Eén ervan is na vele administratieve en financiële beslommeringen gerestaureerd en gered, dankzij de onuitputtelijke jarenlange inspanningen van dorpsbewoner en historicus Lothar Czoßek, die de vreselijke hel als 17-jarige voor zijn ogen heeft zien plaatsvinden. Als onafhankelijk onderzoeker deed hij 45 jaar uitvoerig wetenschappelijk-historisch onderzoek. .Hij kreeg in 2011 de “European Citizens Award” van de Europese Unie en werd in 2013 winnaar van de prestigieuze Amerikaanse “Obermayer Award”. Dankzij hem zijn de geschiedenis van dit “vergeten” kamp en de getuigenissen van de weinige overlevenden bewaard en gearchiveerd en worden de 8000 slachtoffers op een passende wijze geëerd en herdacht.

Lothar Czoßek bouwde 25 jaar geleden een kleine museumruimte met documentatiecentrum in het “Bürgerhaus” van Rehmsdorf en een herdenkingsmonument aan het station van waaruit de evacuatietrein vertrok. Elk jaar in januari houdt hij er een kleine plechtigheid en jarenlang begeleidde hij educatieve projecten in de omliggende scholen. Een “erg bijzondere man” is het minste wat we van hem kunnen zeggen. Hij is net 90 geworden.

Het transport van de vrouwen en kinderen naar Ravensbrück

Overlevende Baila Finkelstein schrijft na de oorlog in haar getuigenis dat ze op 14 december 1943 vanuit de gevangenis van Sint-Gillis naar Ravensbrück vertrokken zijn, nadat de mannen een dag eerder, op 13 december, naar Buchenwald gedeporteerd waren. De groep van 132 was dus reeds gescheiden in Brussel. De inschrijvingslijst van aankomst in Ravensbrück vermeldt dat de vrouwen en kinderen op 16 december 1943 ’s avonds zijn aangekomen.

Ook in dit beruchte vrouwenkamp waren de omstandigheden mensonwaardig en nauwelijks te beschrijven.

Op de aankomstlijst is later bijgeschreven welke vrouwen in het kamp overleden. De lijst is echter onvolledig; slechts de eerste pagina met 32 namen werd bewaard. Daarop staan zeven overledenen aangeduid. Het betreft Fortunée Levi-Mizrahi (+2/1/44 of 2/11/44), Esther Levy-Levy (+10/9/44), Signourou Malali-Isseo (+13/3/44), Rebecca Abouaf-Mizrahi (+27/11/44), Bulissa Mizrahi-Shahon (+2/2/44), Calo Bilé-Halila (+13/4/44) en Sara Levy-Mizrahi (2/4/44 of 11/44).

De na-oorlogse getuigenis van Dora Galimidi vermeldt verder nog  Rosa Kugelman-Lionsky (+1944), en Marie Eskenazy (+12/44). Eugenie Malalel wordt ook als overleden gemeld in de getuigenis door Esther Eskenazi.  Baila Finkelstein voegt daar nog aan toe: Anna Eskenazi, Maria Eskenazi alsook Sarah (Zufir?).

Over de groep vrouwen en kinderen kunnen we gelukkig ook een verhaal met een positieve afloop rapporteren.
Eén van de weinige ruiloperaties die uiteindelijk hebben plaatsgevonden was de uitwisseling van Turkse onderdanen voor Duitsers die zich nog in Turkije bevonden nadat het land zijn diplomatieke banden met Duitsland in augustus 1944 verbroken had.

Met bemiddeling van het Internationale Rode Kruis werd de ruil op touw gezet vanuit het concentratiekamp Bergen-Belsen. Daar vertrok op 4 maart 1945 een konvooi met 105 Turkse Joden. In Lübeck werd deze groep aangevuld met nog eens 15 vrouwen en kinderen uit Ravensbrück, die daar al op 28 februari 1945 vertrokken waren. Bij deze 15 gelukkigen behoorden uit de groep van transport Z uit Mechelen Dora Galimidi en haar twee kinderen Ida en Corine alsook Esther Eskenazi en haar dochter Germaine Sephiha. Germaine Sephiha vertelde mij in 2008 hoe ze op een “gewone” trein werden vervoerd en vanaf dat ogenblik plots beter werden behandeld. De tocht ging van Ravensbrück over Lübeck, Kopenhagen, Helsingör naar Göteborg in Zweden.

Daar werden ze op het schip SS Drottningholm gezet om vervolgens een zeereis te maken omheen Schotland, verder zuidwaarts rond het Iberisch schiereiland de Middellandse Zee in en zo verder door naar Istanbul. Vijf weken waren ze onderweg en kwamen op 10 april 1945 in Istanbul aan. De Turkse overheid weigerde de meeste onder hen het staatsburgerschap en plaatste hen in een vluchtelingenkamp op het eiland Moda. Pas op 19 november 1945 was het mogelijk om weer naar Brussel terug te keren.

Wel heel bijzonder is de hereniging van het gehele gezin Jacques Halila – Dora Galimidi en hun kinderen Ida en Corine. Jacques slaagde erin uit de evacuatietrein vanuit Rehmsdorf te ontsnappen. Hij kon op eigen houtje de gealliëerde linies bereiken en werd per vliegtuig vanuit Pilzen (Tsjechië) op 3 juni 1945 teruggebracht naar België. Zijn vrouw en kinderen maakten deel uit van de ruil met het schip SS Drottningholm. Ze vonden elkaar twee jaar na hun vertrek terug in Brussel.

Deze getuigenis over transport Z van 13 december 1943 en in het bijzonder over mijn grootoom Raphaël Bilé geeft mij de kans hem en alle andere slachtoffers eervol te herdenken. In 2010 deed ik zijn laatste reis langs 3 concentratiekampen over om meer te weten te komen over de precieze omstandigheden van zijn deportatie en overlijden. Tot dan toe had mijn familie slechts enkele, soms zelfs onjuiste, gegevens. De ontdekking in het familiearchief van zijn laatste brief, vijf dagen voor hun deportatie, had mij bijzonder aangegrepen en me aangezet tot een intense speurtocht in diverse archieven en een erg beladen maar verhelderende reis in 2010. Ik heb het op dat moment ook passend gevonden om zijn brief van nu 75 jaar geleden symbolisch te beantwoorden in zijn spreektaal, het Frans, en een exemplaar in kamp Wille en één op zijn laatste rustplaats in Bergen-Belsen achter te laten. Begin oktober 2018 heb ik de intussen gerestaureerde barak in Rehmsdorf met onze vriend Lothar Czoßek opnieuw bezocht. Ik stond op de plek waar oom Raphaël bijna 75 jaar geleden 9 maanden tevergeefs gevochten heeft om te blijven leven; een plek die nu zal bewaard blijven opdat ook de volgende generaties hem, zijn familie en zijn medegevangenen niet zouden vergeten.

Sonja Bilé

December 2018

Lettre à mon grand-oncle Raphaël Bilé
Septembre 2010  Rehmsdorf

Cher Oncle Raphaël,

Moi, Sonja Bilé, je suis le seul enfant de ton neveu Elie et la plus jeune des 6 petits-enfants de ton frère Léon. Nos parents, tes cousines Mathilde, Margot et ton neveu Elie ne sont plus là.

Finalement, j’ai pu retracer le chemin odieux que les nazis t’ont obligé à prendre. J’ai voulu venir ici, à Rehmsdorf, pour t’écrire cette lettre et te rendre hommage. Bien sûr, je le fais au nom de tous mes cousins et cousines de Belgique, et même de tous ceux et celles, descendants de tes sœurs, émigrées dans le temps en Amérique.

Également, nous rendons hommage à ta chère femme, notre Tante Calo, décédée à Ravensbrück, et à ta sœur Caden, pris à Rhôdes et tuée à Auschwitz. Avec beaucoup de chance, le cousin de la tante Calo, Jacques Halila, a réussi à se sauver de ce lieu horrible et a pu revenir en Belgique, ainsi que sa femme Dora et ses enfants Ida et Corine.

Je n’ai pas seulement pu suivre ton sort atroce. Mes recherches approfondies m’ont appris aussi l’héritage précieux dont ni toi ni mon grand-père n’avaient parlé. C’est pourtant notre histoire, ce sont nos racines turques, donc sépharades. J’ai retrouvé l’arbre généalogique à Smyrne jusqu’en 175O avec notre ancêtre Yehuda Bili, qui est notre premier père de famille connu.

Maintenant, Cher Oncle Raphaël, personne ne t’oubliera plus jamais, ni ta femme, ni ta sœur et non plus les 6 millions d’autres personnes qui ont trouvé la mort dans les mains d’un régime, dirigé par un seul homme, mais qui a si cruellement affecté quasiment tout le peuple juif.

Heureusement que, comme Monsieur Lothar Czoßek, ici présent, il y a quand même des Allemands justes, qui ne se sont pas fait bourrer le crâne de ces idées atroces. Monsieur Czoßek a vécu toute sa vie dans son petit village de Rehmsdorf. À l’âge de 17 ans, il a été témoin de ce qui s’y est passé et a toujours cru que ce n’était pas juste. Beaucoup plus tard il a fait l’œuvre de sa vie à sauver la mémoire des milliers de victimes, en établissant un mémorial et un musée pour montrer au monde que l’Allemagne a commis une faute très grave et que lui, en tant qu’Allemand, en a honte. Il a voulu dire que l’on ne peut jamais, jamais oublier, pour qu’un tel génocide ne se répète plus jamais dans l’avenir.

Maintenant tu resteras dans notre mémoire pour toujours. Même les générations futures n’auront plus de raisons d’ignorer le génocide.

Adieu, Cher Oncle Raphaël

Ta petite-nièce,
Sonja

Sonja Bilé