Reisel Krauthammer werd op 4 juli 1905 in Dolina geboren als dochter van Saul Hollech en Feige Krauthammer. Samen met haar man Osias alias Oscar Gottfried, een koopman geboren op 18 oktober 1905 in Babin, vluchtte ze op 2 februari 1939 van Wenen naar België. Reisel en Osias hoopten zo te ontsnappen aan de steeds groeiende anti-Joodse discriminatie in het door Nazi-Duitsland geannexeerde Oostenrijk. Sinds de “Anschluss” golden de zogenaamde Nürnberger Rassengesetze ook in Oostenrijk. Die wetten maakten van Joden tweederangsburgers en baanden de weg voor verdere anti-Joodse wetgeving. Joden werden van verschillende beroepen uitgesloten, mochten niet meer studeren aan een universiteit, en moesten verplicht een tussennaam “Sara” (voor vrouwen) of “Israel” (voor mannen) aannemen. In de nacht van 9 op 10 november 1938 werden tijdens de “Kristallnacht” in heel Duitsland, Oostenrijk en het door de Duitsers bezette Tsjechoslowakije Joodse synagogen, winkels, organisaties en huizen vernield en in brand gestoken. Joden mochten geen bezittingen uit het vuur redden en de brandweer verleende alleen hulp aan niet-Joden.
Reisel en Osias kregen bij hun vlucht uit Oostenrijk hulp van een neef, Max Boxer, die in New York woonde. Ze waren van plan om naar de Verenigde Staten te vertrekken, maar het was moeilijk om een Amerikaans visum te krijgen. Daarnaast mocht Osias als illegale migrant niet werken in België werken, waardoor de familie het niet breed had. Het koppel woonde in Antwerpen,in de Lamorinièrestraat 16. Daar verwelkomden ze op 18 januari 1940 dochtertje Vera Gottfried. Begin 1940 verhuisden ze van Antwerpen naar Brussel. Daar woonden ze eerst in de Auguste Gevaertstraat 76 en later in de Georges Moreaustraat 86.
Wellicht dook het hele gezin onder om te ontsnappen aan de deportatie. De tweejarige Vera werd door het Joods Verdedigingscomité in geplaatst. Dit comité was een verzetsorganisatie die Joodse kinderen bij instellingen en privépersonen onderbracht om hen te beschermen. In de archieven van het JVC staan vier onderduikadressen vermeld voor Vera, die in de onderduik de valse naam Jeanine kreeg. Het is echter onduidelijk of ze ook effectief op elk van die vier adressen verbleven heeft. Over het Reisel en Osias is geen informatie te vinden voor de periode tussen 1942 en 1944 tot aan hun registratie in de Dossinkazerne. Dat gebeurde op respectievelijk 29 april en 3 mei 1944. Onder de nummers 316 en 317 werden ze op de lijst van Transport XXV gezet. Het transport vertrok op 19 mei 1944 uit Mechelen en kwam op 21 mei 1944 aan in Auschwitz-Birkenau. Daarna verdween ieder spoor van Reisel. Osias werd als dwangarbeider tot het kamp toegelaten en kreeg het nummer 2634 op zijn arm getatoeëerd. Hij werd eerst naar Sachsenhausen en daarna naar Flossenbürg verplaatst. Daar overleed hij op 15 april 1945.
Dochtertje Vera werd niet door de nazi’s gevonden. Bij het JVC zijn twee families bekend in Dilbeek en Vorst die haar opgevangen zouden hebben, maar Vera herinnerde zich later vooral de katholieke instellingen waar ze verbleef. Mogelijk werd ze in het Institut Sainte Angèle in Ternat en het Orphelinat des Soeurs de la Miséricorde in Herve verborgen. Vera overleefde de oorlog en werd geadopteerd door een tante in Amerika, Edith Gottfried. Vera woonde in New York en later Connecticut, waar ze drie kinderen kreeg en Summa Cum Laude aan de universiteit van Connecticut afstudeerde. Tot aan haar overlijden op 18 april 2011 deelde ze haar liefde voor filosofie, geschiedenis en poëzie met haar familie en vrienden. In een eulogie schreef Vera’s kleindochter Ariana Feiner dat Vera zich nog goed de katholieke nonnen kon herinneren die haar tijdens de oorlog hadden verborgen, en dat de principes die ze van hen had geleerd haar in haar verdere leven hadden begeleid.