Roger Victor Todor

Roger Victor Ghislain Todor werd op 21 oktober 1942 in Doornik geboren als zoon van paardenhandelaar Bitzika Vadoche (°1911 in Bayonne) en zijn echtgenote Hélène Todor (°1916 in Bressoux). Hij had twee broers, Victor, geboren in Ukkel op 11 december 1934, en Henri, geboren in Stabroek op 10 maart 1938. De familie van Roger behoorde tot de Roma, een grotendeels nomadisch levende etnische groep met aanzienlijke onderlinge diversiteit. De Roma wonen verspreid over heel Europa en hebben een eigen taal of talen, en een eigen culturele traditie. Over de Roma heersten al eeuwenlang vooroordelen. Ze werden door de Belgische overheid al lang voor de Duitse bezetting als ongewenste vreemdelingen en criminelen behandeld. Zo werden Rogers ouders Bitzika en Hélène al in 1932 regelmatig door de Belgische vreemdelingenpolitie lastig gevallen en gecontroleerd. Hun vingerafdrukken werden afgenomen en wanneer ze zich ergens vestigden, werden ze verzocht de gemeente te verlaten. In signalementen werd de uitgebreide familie waarmee ze rondtrokken als “bende” beschreven. Als beroep stond minachtend “zwerver” genoteerd.

De nazi’s zagen de Roma, net als de Joden als een niet-arisch, “vreemd” ras. Tijdens de Duitse bezetting werden ze stapsgewijs vervolgd. Vanaf 1941 waren Roma niet meer welkom in grote delen van Vlaanderen, en vanaf 1942 moesten alle Roma ouder dan 15 jaar een “zigeunerkaart” bij zich dragen die elke maand gecontroleerd wordt. Deze maatregel werd niet door de nazi’s, maar door de Belgische vreemdelingenpolitie ingevoerd. De Roma werden ook steeds vaker zonder geldige reden geïnterneerd. Zo belandde Rogers vader Bitzika in het interneringskamp van Rekem. Hij verklaarde dat hij zijn internering accepteerde, maar dat hij liever was vrijgelaten. Dit in tegenstelling tot de vele Roma die tussen 1942 en 1944 uit het kamp ontsnapten, verontwaardigd over de ongegronde opsluitingen. Vaak ging het over ouders wier jonge kinderen zonder middelen achter waren gebleven. Ook Roger werd in armoede in de woonwagen van zijn ouders geboren. Nog voor zijn eerste verjaardag werd de moeder van Roger door roodvonk getroffen terwijl zijn oudere broer Henri, algemeen verzwakt, aan ernstige gastro-enteritis lijdde. Rogers vader Bitzika zou pas in de tweede helft van 1943 uit Rekem vrijgelaten worden waarna hij herenigd werd met zijn vrouw en kinderen.

In het voorjaar van 1943 werd beslist dat de Roma in Noord-Frankrijk en de Lage Landen gedeporteerd zouden worden. Op 9 december 1943 werd de familie Vadoche naar de Dossinkazerne gebracht. Ze waren samen met een vijftiental andere Roma-families door de nazi’s gearresteerd in de Franse plaats Hénin-Beaumont. In Mechelen was op 22 oktober 1943 een afdeling voor Roma in het verzamelkamp Dossinkazerne geopend met oog op deportatie naar het “Zigeunerlager” van Auschwitz-Birkenau. De Roma werden in de Dossinkazerne samen in een afgesloten zaal vastgehouden. Ze mochten geen voedselpakketten ontvangen en hadden amper toegang tot sanitaire inrichtingen. In plaats van een bed kregen ze verrotte matrassen waarin het krioelde van ongedierte. De Joden die op hetzelfde moment in de Dossinkazerne aanwezig waren, hadden medelijden met de Roma, die een nog wredere behandeling kregen door de bewakers. Een nichtje van Roger, Jeanne alias Jacqueline Vadoche, werd op 11 december 1943 in de Dossinkazerne geboren. Zij werd de jongste persoon die vanuit het verzamelkamp gedeporteerd werd. In totaal werden 353 Roma tot 15 januari 1944 in de Dossinkazerne vastgehouden, bijna de helft van hen waren kinderen. Ze werden op een speciale lijst “Z” (voor “Zigeuner”) ingeschreven en vervolgens gedeporteerd. Op het moment van zijn deportatie was Roger Todor slechts één jaar oud. Zijn broertjes Henri en Victor waren 7 en 9 jaar oud.

Transport Z verliet de Dossinkazerne samen met Transport XXIII waarop Joodse gevangenen gedeporteerd werden.Bij aankomst in Auschwitz-Birkenau op 17 januari 1944 werden de Roma niet aan de gevreesde selectie onderworpen, maar allemaal naar het “Zigeunerlager” in Birkenau gebracht. Iedereen werd getatoeëerd, ook de jongste kindjes: bij hen werd het nummer, beginnend met Z, op hun voetzolen gezet. De eenjarige Roger kreeg het nummer Z9146. In het familiekamp, bestaande uit 32 barakken, werden ongeveer 23000 Roma opgesloten. De leefomstandigheden waren buitengewoon wreed. De Roma werden uitgehongerd en zo goed als afgesloten van sanitaire inrichtingen. Er brak tyfus, dysenterie en noma uit, kinderen werden mishandeld en er vonden verkrachtingen plaats. Gemiddeld stierf er in de periode van 17 januari 1944 tot 25 juli 1944 één Belgische gedeporteerde per dag. Roger en zijn broertje Victor maakten geen kans: ze stierven allebei in 1944, Roger al op 12 maart, geen twee maanden na aankomst in het kamp. Vanaf april 1944 werden Roma die in staat waren om te werken overgebracht naar Buchenwald en Ravensbrück. Het familiekamp werd op 2 en 3 augustus 1944 gesloten: in één keer werden rond de 2900 Roma vergast. Het is onduidelijk of Rogers ouders al voor de sluiting van het kamp bezweken of ook vergast werden. Victor, de oudste broer van Roger, ontsnapte aan de vergassing en overleefde tot de bevrijding van Auschwitz op 27 januari 1945 in het kamp. Hij werd na de oorlog alleen naar België gerepatrieerd. Ook een oom, Auguste Vadoche (°21 februari 1918), en zijn echtgenote Rosa Demestre (°24 februari 1920), overleefden de kampen. Zij keerden terug zonder hun drie dochters. Het enige andere familielid dat de deportatie overleefde was oom Josef Todor (°25 december 1914). Slechts 16 gedeporteerden van Transport Z overleefden de oorlog. Victor, Auguste, Rosa en Josef waren vier van hen. Na de oorlog keerden zij terug naar België, waar ze een verwoeste gemeenschap terugvonden. 70% van de Roma in België en Noord-Frankrijk waren met Transport Z gedeporteerd en keerden niet meer terug. Hun bezittingen waren door de nazi’s geplunderd, het weinige dat overbleef werd in beslag genomen en verkocht of geveild ten gunste van de Belgische staatskas. In tegenstelling tot de Joden kregen Roma geen schadevergoeding van de Duitse of Belgische overheid. Toen de overlevende familieleden van de familie Vadoche in 1962 door de Belgische politie werden opgemerkt, werd hen onverbiddelijk verzocht het land zo snel mogelijk te verlaten.

Lila Thielemans
Stagiair