Sami Apter

Sami Apter werd op 18 oktober 1925 geboren in Berlijn. Zijn ouders, Victor Apter en Maria Rosner, hadden al twee zoons: Heinrich (11.07.1921) en Manfred (16.06.1923). Na Sami werd nog een laatste zoon, Wolfgang (18.10.1930), geboren. Vader Victor kwam op 20 november 1938 aan in Antwerpen, waar hij zich meldde op het politiecommissariaat. Hij verklaarde dat hij als gevolg van de anti-Joodse maatregelen in Duitsland was opgepakt en vervolgens was uitgezet. Hij was er ook bedreigd met opsluiting in een concentratiekamp. In België vroeg hij een voorlopig verblijf aan, om daarna door te reizen naar Palestina of Zuid-Amerika. Victor was handelaar in kledingstoffen, maar kon zonder arbeidsvergunning niet werken in België. In afwachting daarvan wist hij zich te onderhouden met het geld dat hij had meegenomen bij zijn vlucht uit Duitsland. Zijn oudste zonen Heinrich en Manfred kwamen aan op dezelfde dag, en legden gelijkaardige verklaringen af. Heinrichs onderdak werd tijdelijk geregeld door de Joodse organisatie Ezra, die het verblijf en levensonderhoud van Joodse transmigranten in Antwerpen faciliteerde.

Victor, Heinrich en Manfred vestigden zich in de Groote Beerstraat 39 in Antwerpen, maar Maria, Sami en Wolfgang bleven voorlopig in Berlijn. Pas op 25 december 1938 kwamen Maria, Sami en Wolfgang ook aan in Antwerpen. Ze hadden Duitsland moeten ontvluchten om opsluiting te vermijden, nadat Maria door de Gestapo was vervolgd en fysiek geweld had ondergaan. Het voltallige gezin Apter nam vervolgens haar intrek in de Lange Kievitstraat 71, en kon rekenen op de steun van Joodse hulporganisatie Ezra. Uiteindelijk vestigde de familie zich in november 1939 in de Van der Meydenstraat 16 in Borgerhout.

Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland België binnen. Achttien dagen later capituleerde België en installeerde de bezetter een militair bestuur. Het bestuur vaardigde meerdere verordeningen uit, ter voorbereiding van de systematische uitsluiting en vervolging van de Joden in België. Vanaf 28 oktober 1940 moesten alle Joden ouder dan 15 jaar zich inschrijven in een gemeentelijk Jodenregister. Ook de familie Apter moest die verordening opvolgen. Tussen december 1940 en februari 1941 werden meer dan 3000 vreemdelingen, voornamelijk Antwerpse Joden, uitgewezen naar de provincie Limburg. Over de aanleiding voor die verplichte verhuizing is echter weinig bekend. Het volledige gezin Apter-Rosner werd uitgewezen en op 11 januari 1941 ingeschreven in het vreemdelingenregister van Alken. De uitgewezenen mochten geen beroep uitoefenen en moesten zich dagelijks melden bij de lokale instanties. Vanaf maart werd de uitwijzing weer opgeheven. Victor, Maria en hun jongste zonen Sami en Wolfgang keerden terug naar Antwerpen. Heinrich en Manfred vestigden zich in mei in Schaarbeek. In augustus 1941 verhuisden ook de oudste broers weer naar hun oude adres in Borgerhout.

Tijdens de zomer van 1941 werden Joodse identiteitskaarten duidelijk onderscheiden van de rest; de woorden “Jood-Juif” werden in het rood op de kaarten gestempeld. In het voorjaar van 1942 werd ook inschrijving bij de Jodenvereniging in België verplicht. Op 2 maart schreef het gehele gezin Apter zich in bij de lokale afdeling te Antwerpen. In juni 1942 werd de gele Davidster ingevoerd. Slechts enkele weken later werden de eerste tewerkstellingsbevelen verstuurd en de eerste razzia’s georganiseerd. Heinrich probeerde aan de tewerkstelling te ontkomen omdat hij aan scrofulose leed. Het verzoek tot vrijstelling van arbeid, ingediend met een doktersbriefje, werd echter geweigerd. Toch meldde hij zich niet in de Dossinkazerne.

De hele familie werd opgepakt tijdens de tweede razzia in Antwerpen, in de nacht van 28 op 29 augustus 1942. Belgische politieagenten namen actief deel aan de razzia en achtervolgden de Joodse bewoners tot in kelders, zolders en tot op de daken. 784 Joden werden in Antwerpen opgepakt en op 29 augustus geregistreerd in de Dossinkazerne. Diezelfde dag nog vertrok Transport VI, met een deel van de opgepakte Joden. Het gezin Apter-Rosner werd op de lijst van Transport VII ingeschreven, met de nummers 805 tot en met 810. Transport VII vertrok op 1 september, met aan boord 1000 gedeporteerden. De trein maakte een tussenstop in Kosel, waar 170 mannen tussen vijftien en vijftig jaar oud bevolen werden om uit te stappen. Zij werden verdeeld over de werkkampen in de regio. Wellicht werden Victor, Heinrich, Manfred en Sami hier gescheiden van Maria en Wolfgang, en tewerkgesteld. Wanneer, hoe en waar zij precies zijn omgekomen, is niet bekend. De rest van de mensen aan boord van Transport VII werd verder meegevoerd en gedwongen uit te stappen aan een perron tussen Auschwitz en Birkenau, waarna 734 van hen meteen werden vergast. De overige gedeporteerden werden verplicht tewerkgesteld in het kamp. Vermoedelijk waren Maria en Wolfgang deel van de groep die meteen is vermoord. Geen enkel lid van het gezin Apter-Rosner overleefde de deportatie.

Max Van Lint
Stagiair