Stevo Karoli

De Karoli’s, Noorse Roma, waren al op 15 januari 1944 door Transport Z gedeporteerd. Stevo Caroli/Karoli, gescheiden van zijn familie, volgt een zeer uitzonderlijke weg…

Enkele leden van de familie Karoli: Elisabeth Warsha en drie van haar twaalf kinderen, Miloche (in haar armen), Kalia (links) en Stevo Caroli (rechts). Rond 1930 Bron: ARA-Vreemdelingenpolitie-Brussel

Stevo Caroli werd in Metz geboren op 26 augustus 1925. Hij is de zoon van Joseph Karoli en Elisabeth Warsha. Hij heeft elf broers en zusters. Hij oefent twee nomadische beroepen uit: hij is mandenmaker en paardenhandelaar. Hij zwerft rond in België en Noord-Frankrijk. Op 21 augustus 1941 beveelt de Vreemdelingenpolitie hem om het Belgisch grondgebied te verlaten. Het wordt hem ook belet om zich bij andere groepen “zwervers” aan te sluiten. Als veiligheidsmaatregel zijn ook kustgebieden (de provincies Antwerpen en Vlaanderen) verboden voor nomaden die verdacht worden van spionage.

In hetzelfde document riepen de autoriteiten, die de “Zigeuners” als een criminele bevolking beschouwden, hem op om in een politiebureau zijn foto te laten maken en zijn vingerafdrukken te laten nemen. Destijds was deze politiepraktijk voorbehouden voor de identificatie en registratie van criminelen. Stevo gehoorzaamt dit bevel niet. Hij ontwijkt regelmatig de controles die hem viseren.

Bij een latere controle stellen politieagenten vast dat Stevo Caroli heeft willen frauderen met rantsoenzegels; hij heeft namelijk geprobeerd er op twee verschillende plaatsen te krijgen, in Damprémy en in Geldenaken (Jodoigne). Zijn rantsoenkaart wordt hem ontnomen, in afwachting van een nieuw officieel exemplaar. Hij heeft dus geen zegels, zolang hij zich niet in regel stelt. Deze keer kan hij hieraan niet meer ontsnappen.

Deze rantsoeneringsfraude komt veel voor bij nomaden. Beperkingen van het vrije verkeer en de door de bezetter veroorzaakte economische crisis laten hen weinig keuze. Zij worden verhinderd hun gebruikelijke routes te volgen en worden van hun bestaansmiddelen beroofd. Hun overleven hangt af van hun vindingrijkheid. Politie en gemeentelijke autoriteiten arresteren hen regelmatig, maar de rechtbanken doen niet veel moeite om hen te vervolgen. Op 10 juli 1942 krijgt Stevo Caroli zijn ‘zigeunerkaart’.

Op 23 november 1943 worden in Doornik 19 leden van de familie Karoli door de Feldgendarmerie aangehouden. Negen woonwagens, twee auto’s, vijftien paarden en een  muilezel worden in beslag genomen en ter beschikking gesteld van de burgemeester. Stevo Caroli maakt geen deel uit van deze groep. Hij wordt enkele weken later gearresteerd, terwijl zijn familie al gedeporteerd is met Transport Z op 15 januari 1944.

Op 3 maart 1944, het moment van zijn aanhouding in Brussel, is Stevo in het bezit van een valse identiteitskaart op naam van Eduard Cogai. Ervan verdacht anti-Duitse activiteiten te ondernemen wordt hij door Abteilung V gearresteerd. Deze dienst is de afdeling Kripo van de Sipo-SD die belast is met de repressie van misdaden. Dezelfde dag nog wordt de jonge man opgesloten in de Duitse afdeling van de gevangenis van Sint-Gillis.

Op dat moment twijfelt de Kripo aan de identitieit van Eduard Cogai, waarna men een onderzoek start. Op 26 april 1944 besluit Abteilung V dat Eduard Cogai en Stevo Caroli een en dezelfde persoon is. Ze bevestigen ook dat hij volbloed Zigeuner is.

Op 10 mei 1944 wordt het bevel gegeven om hem zo snel mogelijk te deporteren. Op 15 mei wordt hij naar Mechelen gebracht en 4 dagen later met Jodentransport XXV weggevoerd. Zijn naam werd op een aparte bladje aan de deportatielijst toegevoegd. Daarop wordt hij duidelijk als “Zigeuner” aangeduid.

Bij zijn aankomst te Auschwitz-Birkenau moet Stevo Caroli, in tegenstelling tot de Joodse gedeporteerden, de selectie niet ondergaan. Hij wordt met de tatoeage Z 9 936 geïdentificeerd vooraleer naar het Zigeunerfamilienlager te worden gebracht. Daar vindt hij zijn broer Zolo terug, die op 15 januari gedeporteerd werd. Deze laat hem weten dat zijn ouders en zijn broers en zusters Karia, Charles, Marie, Régine, Lucienne door de nazi’s neergeschoten werden.

Samen met nog andere werkbekwame Roma worden Stevo en zijn broer Zolo op 3 augustus 1944 vanuit het kamp Birkenau overgebracht naar Buchenwald. De omstandigheden daar zijn vreselijk. Er is een tekort aan water en voedsel. De plek is overbevolkt en er is geen plaats over in de barakken. De laatst aangekomen Roma worden gedwongen om in tenten te slapen. Stevo wordt zeer kort na aankomst overgeplaatst terwijl Zolo, waarschijnlijk erg verzwakt, in Buchenwald moet blijven. Daar wordt hij neergekogeld, dit twee dagen voor de bevrijding door de Amerikaanse troepen.

Stevo Caroli wordt achtereenvolgens als slaaf gebruikt te Dora, Ellrich en Bergen-Belsen. In dat laatste kamp wordt hij begin april 1945 door het Britse leger bevrijd. Hij wordt gerepatrieerd per truck naar België. Via het opvangcentrum te Mol, komt hij later terecht in de ziekenhuizen van Doornik en Charleroi. Hij lijdt dan zwaar aan maagziekten, zoals bijna alle overlevenden van de concentratiekampen.

Na aangesterkt te zijn komt hij op 18 mei 1945 uit het ziekenhuis. De dag erop meldt hij zich bij de Belgische autoriteiten om zijn nieuwe “Zigeunerkaart” te krijgen. De politie gaat dan snel na of de in 1945 genomen vingerafdrukken overeenkomen met die van 1943.

In juni 1945 dient Stevo Caroli een aanvraag in bij Nationaal werk voor Oud-strijders, Weggevoerden en Politieke Gevangenen (NWOS) om te mogen genieten van de vergoeding bestemd voor politieke gedeporteerden. De ambtenaar belast met zijn verzoek geeft volgend advies:

“Voor nomaden, die geen vaste woonplaats hebben in een Belgische gemeente en waarvan de fictieve woonplaats de administratie van de Vreemdelingenpolitie is, ben ik van mening dat het, om hen in staat te stellen de toelage te ontvangen waarop zij recht kunnen hebben, de verantwoordelijkheid van de Vreemdelingenpolitie is om hen een certificaat te verstrekken dat vermeldt dat zij in 1943 door de Duitse overheid naar Duitsland zijn gedeporteerd”.

De auteur van dit advies benadrukt de grote ellende waarin de uit Duitsland teruggekeerde Zigeuners zich bevinden.

Zijn overste toont zich evenzeer weinig begripvol:

“Ik ben van mening dat het niet de verantwoordelijkheid van de administratie van de Vreemdelingenpolitie is om aan de gedeporteerde nomaden, niet om politieke of patriottische redenen, maar om raciale redenen, een certificaat uit te reiken dat hen in staat stelt om de premie te ontvangen die wordt toegekend aan de Belgische politieke gedeporteerden of werkweigeraars.”  

Bijgevolg verklaart de Vreemdelingenpolitie aan NWOS dat zij niet in staat is om te bevestigen wanneer noch hoe noch waar de zwerver Karoli, Stevo, geboren te Metz op 26 augustus 1925, door de Duitsers aangehouden was. De laatste documenten uit het persoonlijke dossier van Stevo Caroli dateren van 1948. Er is nog steeds sprake van de onmogelijkheid om zijn nationaliteit te bepalen, en van uitwijzingen uit Frankrijk en Nederland wanneer hij zou proberen om het Belgische grondgebied te verlaten.

De inzage in het dossier van de Vreemdelingenpolitie werpt licht op de administratieve behandeling van verzoeken om schadeloosstellingen en aanvragen om herkenning als politieke gevangene ingediend door Roma. Ook op dat gebied worden ze nog slechter behandeld dan de Joodse gedeporteerden.