Valentine Zaslavsky

Op 21 januari 1944 arresteren Sipo-SD mannen onder begeleiding van verklikker ‘dikke Jacques’ in Laken Valentine Zaslavsky en haar ouders, Itskhok Zaslavsky en Esther Frisch.
Valentine Zaslavsky, als 19-jarige gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau, zal getuigen tegen Max Boden tijdens zijn proces Bron: Privécollectie

Na hun aanhouding worden Valentine en haar ouders overgebracht naar het hoofdkwartier van de Sipo-SD. Ze brengen één nacht door in de kelders van het gebouw aan de Louizalaan en ondergaan er geen mishandelingen. Op 22 januari 1944 volgt hun overbrenging naar de Dossinkazerne.

In een van haar getuigenissen tegen Max Boden, het voormalige hoofd van de Aufnahme, het registratiebureau van het kamp in Mechelen, vertelt Valentine over haar aankomst in de Dossinkazerne.

“Toen ik in Dossin aankwam, had ik nog steeds al mijn spullen, niets was me in de Louizalaan afgepakt. Ik was met mijn ouders, we waren deel van een groep van 30 mensen, staande op een rij op de binnenplaats. FRANK vroeg ons of we ‘Jude’ waren. Toen werd bij de AUFNAHME alles van mij afgenomen. Ik zag BODEN daar kijken of alles in orde was. BODEN was de chef. Van mijn mama werd zelfs een voorwerp afgepakt van mijn jongere broer die de volgende dag begraven zou worden.”

Twee dagen voor hun arrestatie treft een eerste tragedie de familie Zaslavsky: Henri, de jongste broer van Valentine, sterft aan een hartziekte die verergerd is door een longontsteking. De Zaslavsky’s staan hiermee pas aan het begin van hun lijdensweg. Vanaf de eerste minuten in het verzamelkamp in Mechelen worden ze brutaal behandeld, ongeacht de pijn veroorzaakt door het verlies van hun zoontje en broertje. Itskhok Zaslavsky incasseert in de Aufnahme zware klappen, omdat hij niet snel genoeg opbiecht dat hij joods is.

Nadat hun tassen een eerste keer zijn doorzocht en persoonlijke bezittingen afgepakt, worden de pas aangekomen geïnterneerden doorgestuurd naar het kantoor van de Brüsseler Treuhandsgesellschaft, waar de spoliatie volledig wordt afgerond. Joden moeten de sleutels van hun woning overhandigen en onder dwang een document ondertekenen waardoor zij hun roerende goederen aan de nazi’s overdragen. In dit deel van de Aufnahme, geïsoleerd van de kantoren door middel van een eenvoudig kamerscherm, wordt ook een min of meer grondig lichamelijk onderzoek uitgevoerd. Hoe religieuzer de man of mooier de vrouw, hoe grondiger deze controle zal zijn.

Valentine Zaslavsky getuigt over dit vernederende en mensonterende moment:

“Toen ik in de Dossinkazerne aankwam, nadat ik van mijn geld en sieraden was ontdaan, moest ik een lichamelijk onderzoek ondergaan in aanwezigheid van een SS-er genoemd PFERDEKOPF. Mijn moeder deed dit onderzoek samen met mij. Ik moest me volledig uitkleden. De SS-man onderzocht me vanuit alle hoeken, hij liet me o.a. mijn armen opheffen. Hij heeft mij echter niet de hand op de knieën gelegd.”

Zodra iemand zich verzet of een voorwerp probeert te verbergen wordt geweld gebruikt:

“Mijn moeder werd in haar gezicht geslagen omdat ze een ring in haar korset had verstopt. Ik werd niet in mijn geslachtsdelen bezocht, ik hoefde alleen maar mijn armen op te heffen.”

Zo komt een einde aan de eerste minuten in de Dossinkazerne. Gedetineerden worden bij aankomst moreel en fysiek gebroken. Bij het verlaten van de Aufnahme zijn ze niet enkel van hun bezittingen, maar ook van hun menselijkheid beroofd. Het transportnummer en het volgnummer dat hen op de deportatielijst is toegekend, vormen hun nieuwe identiteit. Valentine Zaslavsky wordt voortaan geïdentificeerd als : XXIV/135.

Tijdens hun internering in het verzamelkamp doet het gezin Zaslavsky een oproep aan koningin Elizabeth, maar hun verzoek blijft onbeantwoord. Het paleis komt enkel tussen voor Joden van Belgische nationaliteit en soms voor zwangere vrouwen, zuigelingen, persoonlijkheden… maar niet voor een eenvoudige staatloze familie van Russische afkomst.

In het kader van het proces tegen Max Boden worden ter identificatie aan Valentine foto’s van Duitse SS-ers getoond:

“U toont mij foto’s van Duitse onderdanen. Ik herken tussen deze foto’s diegenen die u FRANK Johannes noemt, en BODEN, [Max]. De eerste was de hoofdcommandant van de Dossinkazerne en de tweede was de tweede commandant. […] Persoonlijk werd ik niet mishandeld door de mensen die ik u aanduid, maar ik werd indirect mishandeld door de bevelen die ze gaven.”

Valentine Zaslavsky heeft de terughoudendheid van deze Duitse SS-ers om rechtstreeks in contact te komen met de joodse gedetineerden, de reden ook waarom zij een beroep doet op de brute Vlaamse SS-ers, zeer goed ingeschat:

 “Frank, in het bijzonder, leefde als een ‘pasja’, hij had gekozen onder de gedetineerden bedienden, secretaresses, bewakers voor zijn honden. Hij had twee honden die als koningen werden behandeld.”

Valentine vat haar leven in de Dossinkazerne perfect samen in haar verklaring afgenomen tijdens het naoorlogse proces tegen enkele Vlaamse SS-ers. Geconfronteerd met de honger in het kamp, verwacht ze veel van externe hulp. Ze verklaart dan ook teleurgesteld dat

“De pakketten die ons door vrienden of familie werden toegestuurd, kwamen alleen ontdaan van het beste deel aan. Frank weigerde ook de levering van de pakketten als hij opmerkingen had over een gevangene.”

Valentine getuigt bovendien over de gemeenheid en de mishandelingen die de geïnterneerden moesten ondergaan in de Dossinkazerne:

“Wat BODEN betreft, Max, deze was een sadist. Hij beloofde ons dat we bezoekers konden ontvangen als we twee uur in de sneeuw zouden blijven staan. Ik had het zelf meegemaakt, toen er vijf centimeter sneeuw lag. We moesten stil blijven staan en BODEN beledigde ons. Dan zou hij ons vertellen dat we die dag geen bezoek konden hebben en ons terugsturen [naar de slaapzaal]. Terwijl we op de binnenplaats waren, gooide hij stenen naar de hoofden van de gevangenen, liet ze achtervolgen door zijn hond en dan vooral de jonge meisjes.”

De jonge vrouw is zich uiteraard bewust van de bijzondere kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes in het kamp:

Deze PFERDENKOPF kwam vaak de waszaal binnen om te zien of vrouwen zich zonder kleren wasten. Degenen die er droegen, werden gedwongen zich uit te kleden. Dit ging gepaard met geweld. Dezelfde PFERDENKOPF spoot ons met een waterslang nat.

Valentine Zaslavsky en haar ouders worden op 4 april 1944 in een goederenwagon van Transport XXIV gedwongen. De reis is vermoeiend. In de wagons is er een gebrek aan alles: lucht, water, ruimte… Op 7 april komen de 624 gedeporteerden aan op de Judenrampe, gelegen tussen Auschwitz en Birkenau. Het is het laatste konvooi uit Mechelen dat hier stopt. De SS-ers die verantwoordelijk zijn voor de selectie beoordelen, Itskhok Zaslavsky, 57 jaar, en Esther Frisch, 51 jaar, hoogstwaarschijnlijk werkonbekwaam. Dit is de laatste keer dat Valentine haar ouders ziet.

Gescheiden van haar ouders en in de andere rij geplaatst, wordt Valentine Zaslavsky, 19 jaar oud, gedwongen tot slavenarbeid in Birkenau. Het stamnummer 76737 wordt op haar arm getatoeëerd en identificeert haar voortaan.

Valentine blijft enkele maanden in Birkenau en moet op 18 januari 1945 deelnemen aan de dodenmars naar Ravensbrück en zijn Kommandos, Malchow en Taucha. Op 13 april 1945 wordt ze uit Taucha ‘geëvacueerd’. Op 29 april wordt ze onderweg vrijgelaten, in Streumen, 80 kilometer van Taucha. Op 3 juni 1945 vindt haar repatriëring naar België plaatst. Vervolgens levert Valentine een aantal zeer belangrijke getuigenissen over het leven in de Dossinkazerne.

Het proces tegen Max Boden wordt de enige rechtszaak die zich uitsluitend buigt over daden gepleegd in de Dossinkazerne. Het proces vindt pas in 1950 plaats. Na een eerste veroordeling door de Brusselse Krijgsraad tot twaalf jaar dwangarbeid, gaat Boden in beroep. Als verzachtende omstandigheid voert hij aan dat hij alleen de bevelen van zijn superieuren heeft opgevolgd. Zijn verdedigingsstrategie werkt goed: in december 1950 wordt zijn straf teruggebracht tot acht jaar gevangenis. Het vonnis omvat een lange lijst van mishandelingen, seksuele aanrakingen en medeplichtigheid aan een moord in de Dossinkazerne gepleegd. Er wordt geen rekening gehouden met zijn rol bij de Jodendeportatie. Max Boden komt om in maart 1951.

Valentine Zaslavsky bouwt langzaam maar zeker haar leven weer op. Op 27 mei 1950 trouwt ze met Arje Lejb Miedzianogora. Op 14 oktober 1952 bevalt ze van de kleine Yves.