De wisselvitrine staat deze keer in het teken van schilderkunst. De voorwerpen in de vitrine verwijzen elk op hun manier naar kunst die in de Dossinkazerne door de gevangenen is gemaakt. Onder de gedeporteerden zaten immers ook heel wat kunstenaars en schilders. Sommigen onder hen werden naar een schildersatelier, Malerstube, gebracht. Al konden ze daar hun creativiteit niet zomaar uiten. Ze moesten transportnummers op bordjes schilderen die door de gevangenen gedragen werden. Een andere taak voor de schilders was het maken van portretten van bewakers en hun minnaressen. In het geheim schilderden ze ook scènes uit het dagelijkse leven in de Dossinkazerne en portretten van medegevangenen.
Een van de gevangenen die moest werken in de Malerstube was Irene Spicker. Zij werd dankzij haar uitzonderlijk schildertalent geselecteerd.
Spicker werd in 1921 geboren in Duitsland. In april 1939 vluchtte ze vanuit Berlijn naar Brussel samen met haar zus Gerda. Een paar maanden later kwam ook hun vader Moses naar België. Werner Spicker, de enige zoon van het gezin, kon een visum verkrijgen en trok naar Latijns-Amerika. Hun moeder Margarete was op dat moment al overleden. Toen de Duitsers in 1940 in België binnenvielen, veranderde het leven voor het gezin drastisch. In 1942 moesten Irene, Gerda en Moses onderduiken. Irene nam een valse identiteit aan als Marie-Antoinette van Crombrugghe de Loringhe en werkte als poetsvrouw bij verschillende gezinnen. Ze verdiende ook bij door het beschilderen van sjaals.
In november 1942 konden de nazi’s haar opsporen en werd ze gearresteerd in een huis waar ze als poetsvrouw werkte. De nazi’s ondervroegen haar in een poging te achterhalen waar haar zus en vader zich verborgen hielden, maar Irene gaf niets prijs. In maart 1943 brachten de nazi’s de 22 jarige Irene naar de Dossinkazerne. Haar naam werd meermaals toegevoegd aan deportatielijsten; voor Transport XX, Transport XXI, Transport XXII A en Transport XXIII, maar in tegenstelling tot vele andere gevangenen werd ze nooit op een transport gezet. Ze bleef ongeveer anderhalf jaar in de kazerne, totdat die bevrijd werd in 1944. Het plein voor het museum draagt sinds 2019 de naam Irene Spickerplein, als eerbetoon aan de inmiddels overleden kunstschilder.
Naast Irene werd ook Léon (Lon) Landau verplicht om te werken in de Malerstube. Léon was decorontwerper voor de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen. Hij werd een paar maanden voor Irene, in januari 1943, naar de Dossinkazerne gebracht. Na iets meer dan een jaar,in april 1944, werd hij op Transport XXIV gezet, slechts enkele maanden voor de bevrijding. Léon Landau overleefde de oorlog niet. Na zijn deportatie bleef zijn kunst achter in de Dossinkazerne. Zo had hij tijdens zijn gevangenschap onder meer een twaalftal marionetten gemaakt uit het volksverhaal Tijl Uilenspiegel en andere sprookjes. Een van die poppen is ook te bezichtigen in het memoriaal van Kazerne Dossin. Irene Spicker nam enkele van zijn kunstwerken mee na de bevrijding.
Enkele maanden na Irene Spickers aankomst in de Dossinkazerne, volgde ook Carol Deutsch. Deutsch was een kunstschilder uit Oostende. Hij verhuisde later met zijn vrouw en dochter naar zijn geboortestad Antwerpen, maar het gezin moest steeds op de vlucht slaan om uit de handen van de nazi’s te blijven. De dochter en schoonmoeder van Carol Deutsch slaagden erin om onder een valse naam verscholen te blijven. Carol en zijn vrouw Fela werden wel opgepakt en naar de Dossinkazerne gebracht. Na enkele dagen werden ze op Transport XXII B gezet. In Auschwitz-Birkenau werd Carol een periode ingezet als schilder van de barakken. Eind 1944 werd hij vermoord in Buchenwald. Ook Fela overleefde de oorlog niet.
Deze fles bevatte ooit terpentijn. Op het bordje aan de hals staat in onjuist Duits “Terpentinol- nur mit 100 mlitter dosieren” (Terpentijn- alleen per 100 milliliter verdelen). Terpentijn werd gebruikt om olieverf te verdunnen, dus de fles werd vermoedelijk gebruikt in de Malerstube. De porties werden gerantsoeneerd. Dat verklaart de vermelding van de 100 milliliter. Rond de halsopening zijn verschillende gekleurde verfvlekken te zien. Dit doet vermoeden dat de fles ooit in het schildersatelier stond.
De fles werd eind 1944 gevonden in de Dossinkazerne. Calixte en Emile Vandevelde, twee broers die allebei voor de Regie voor Telefonie en Telegrafie werkten, bezochten voor hun werk naar leegstaande gebouwen die tijdens de oorlog bezet waren door Duitse diensten. Een van de locaties waar ze werkten, was de Dossinkazerne. Calixte Vandevelde de schonk de originele voorwerpen aan zijn kleinzoon Jo Peeters, die ook de voorwerpen van Emile Vandevelde kon recupereren. In 2023 gaven Jo en zijn vrouw Sophie Van Krunkelveldt de voorwerpen uit de collectie in bruikleen aan Kazerne Dossin.
Hoewel Carol Deutsch niet lang in de Dossinkazerne gevangen zat, kwam hij toch in contact met Irene Spicker. Hij gaf haar deze schildersdoos. Dit is een van de voorwerpen die door Irene werden meegenomen na de bevrijding van de Dossinkazerne. De schildersdoos werd aan Kazerne Dossin geschonken door Uziel Awret, de zoon van Irene Spicker en haar man Azriel Awret.
Vandaag zijn er slechts een handvol kunstwerken waarvan we zeker weten dat ze in de Dossinkazerne zijn gemaakt. Er waren wellicht meer werken, maar die zijn vernietigd of verloren. Een van de overgebleven kunstwerken is ‘De jongen met de pet’ van Irene Spicker. Het is niet bekend wie de jongen is. Irene maakte het kunstwerk tijdens haar gevangenschap in de Dossinkazerne: het jongetje werd gedeporteerd en overleefde vermoedelijk niet.