Erwin Haber

75 jaar geleden vertrok het eerste jodentransport vanuit België met aan boord de 17-jarige Erwin. Dit is zijn verhaal.

 

We schrijven 4 augustus 1942, vandaag precies 75 jaar geleden. Vanuit de Mechelse Dossinkazerne vertrekt de eerste Belgische trein naar Auschwitz. Aan boord onder het nummer 818: Erwin Haber, een jongen van zeventien die naar de kazerne was geroepen onder het mom van een toekomstige werkplaats in Polen. Onderweg naar Auschwitz schreef Erwin brieven aan zijn familie die hij uit de trein gooide met de vraag aan de mogelijke vinder om ze hen te bezorgen. 

Zonder ouders maar met zijn twaalfjarige zusje Kitty komt de op dat moment vijftienjarige Erwin Haber in februari 1939 in België aan. Samen met 248 andere joodse kinderen werden ze met een Kindertransport naar ons land gebracht. Na de Kristallnacht moest dat ervoor zorgen dat joodse kinderen een veilig onderkomen konden vinden buiten het Derde Rijk. Hun ouders mochten echter onder geen beding mee.

Twee maanden voor zijn kinderen was de vader van Erwin en Kitty al in België aangekomen. Samuel Haber was te voet vanuit Keulen gevlucht en stak in december 1938 de Belgische grens over. Hij diende hier een asielaanvraag in als politiek vluchteling en krijgt een verblijfsvergunning. De toestemming om te emigreren naar Bolivia, zoals zijn plan was, zal hij nooit krijgen.

Haber vestigt zich in Antwerpen, waar zijn kinderen hem niet veel later zullen vervoegen. Hun moeder, die via een andere weg Duitsland ontvlucht was, overleed bij haar aankomst in België. De wagen waarin Nelly Schwarz de Belgische grens was overgestoken, werd beschoten door de douane omdat ze niet wilden stoppen. Schwarz kreeg een kogel in de rug en overleed aan haar verwondingen.

Vader en kinderen zouden niet lang samenblijven. Op 11 mei 1940 wordt vader Samuel Haber gedeporteerd naar Frankrijk. Erwin is op dat moment zestien en moet plots voor zijn zus zorgen, een rol die hij met veel overtuiging opneemt. Wanneer hij zich begin augustus 1942 “vrijwillig” aanmeldt bij de Brusselse politie om te gaan werken in het Oosten doet hij dat uit vrees dat zijn familie anders gedeporteerd zou worden. Zijn zus en hij woonden op dat ogenblik bij hun grootmoeder in Molenbeek.

In die eerste dagen van augustus komt Erwin aan in de Dossinkazerne. Opvallend is dat hij het er best naar zijn zin lijkt te hebben en zelfs op de trein heeft hij nog sympathie voor de officieren van de SS, ook al hebben die dan wel zijn bagage afgenomen.

In de trein schrijft Erwin brieven naar het thuisfront. Die gooit hij uit de trein in de hoop dat de persoon die zijn brieven vindt, ze bij zijn familie bezorgt. Om hen niet te verraden bij nazi-sympathisanten of SS-officieren vraagt hij de brieven te bezorgen bij hun buurvrouw, ‘Moeke’ Van der Elst. Haar vraagt hij de brief dan aan zijn familie te bezorgen.

Waarde vinder. Ik verzoek u hoffelijk deze briefjes aan het adres van mevrouw Van der Elst, 81, rue du Jardinier, Brussel, te sturen zonder zegels op te plakken, daar mijn familie daar strafport zal betalen. Ik ben een joodschen jongen van 17 jaar van Brussel die nu van de Gestapo wordt weggestuurd, waarschijnlijk naar Polen, en ik bid u mij de weldaad die onze Heer u zal vergelden, te doen en mijn familie deze regels toekomen te laten. Velen dank.”
Getekend: “Een ongelukkige”

“Wilt u deze regels die van een joodschen jongen aan zijn familie zijn geschreven, die nog in Brussel verblijft. Ik maak deel uit van een transport joodsche kinderen die naar Polen gedeporteerd worden. Wij zijn onder bewaking van Gestapo, mogen niet schrijven en ik probeer dat uit de trein te werpen. Ik dank u van harte dat u deze weldaad aan mijn oude grootmoeder en kleine zuster doet, die niet weten waar ik ben. God zegene u en ons.”

Eenmaal de brieven bij de buurvrouw aangekomen zijn, richt Erwin zich met enkele regels aan haar. “Lieve Moeke. Ik hoop dat u deze regeltjes zult ontvangen en ze aan mijn familie afgeven. Beste groeten, Erwin.”

Drie brieven van Erwin werden teruggevonden, alle drie gedateerd op 4 augustus 1942 en later door zijn broer gedoneerd aan Museum Kazerne Dossin. In de brieven schrijft Erwin welke route het transport volgt, dat hij met zo’n 1.000 mensen onderweg is en dat hij zijn familie veel moed toewenst.

Op 5 augustus komt de trein in Auschwitz aan, waar Erwin geselecteerd wordt om te werken in het concentratiekamp. Hij zal het er echter niet lang volhouden. Er woedt een epidemie van tyfus waar ook hij niet aan ontsnapt en de combinatie met het harde werk, ondervoeding en mishandeling wordt de jongen te zwaar. Op 10 september 1942 zal zijn dood ingeschreven worden in de Sterbebücher van Auschwitz, het dodenregister. Erwin werd niet ouder dan 17.

Van het eerste transport uit de Dossinkazerne zouden uiteindelijk negen mensen overleven. Acht mannen en een vrouw.

De zus van Erwin, Kitty, wist samen met haar tante Léontine Shwarz-Federer te ontkomen aan deportatie. In 1950 emigreerde Kitty naar Buenos Aires. Kitty heeft alle documentatie van de lijdensweg van haar familie nauwgezet bijgehouden en deelde die met historicus Cyril Rubens, die er dit jaar het boek “Een briefkaart redde mijn leven” over publiceerde. Kitty overleed op 10 april, voor ze het boek ooit in handen kon krijgen.

Wat er met Samuel Haber gebeurd is, valt niet met honderd procent zekerheid te zeggen. Al is de kans groot dat de man in het vernietigingskamp Sobibor zijn dood vond. Hij bevond zich op 4 maart 1943 op Transport 50 naar Sobibor. Daar werd het merendeel van de passagiers vergast. De enkele overlevenden werden naar Majdanek gestuurd en waren in 1945 nog met vier. Samuel Haber bevond zich niet onder hen.

Dit artikel kwam tot stand met de medewerking van Het Nieuwsblad (Nick de Schutter)