Familie Silberman-Holzer

Efraim Silberman werd op 14 december 1901 geboren in Iwla, Polen, als zoon van Josef Silberman en Malka Teitelbaum. In 1921 verhuisde hij naar Berlijn, waar hij werkte als verkoper en etalage-ontwerper. Op 3 januari 1928 arriveerde hij in Antwerpen met een toeristenvisum om zijn zieke broer te bezoeken. Kort daarna vroeg hij een verblijfsvergunning aan. Efraim leerde het vak van diamantbewerker en woonde afwisselend in Berchem en Antwerpen.

In Antwerpen ontmoette hij Euga (Augusta) Holzer, geboren op 18 juli 1906 in Dukla, Polen. Haar familie was in 1907 naar België geëmigreerd. Efraim en Euga trouwden op 26 mei 1931 in Berchem en vestigden zich op Thaliastraat 30. Hun oudste dochter, Anna Esther (Annie), werd geboren op 30 oktober 1932 en hun jongste dochter Myriam op 9 augustus 1938.

Toen nazi-Duitsland België binnenviel op 10 mei 1940, was Efraim inmiddels diamantslijper. Het gezin probeerde te ontsnappen naar het zuiden, maar werd op 11 of 12 mei 1940 gedwongen terug te keren naar Antwerpen. Ze waren van de trein gestapt aan een halte en waren niet op tijd terug, waardoor de trein zonder hen verder reed.

In Antwerpen moest het gezin zich aanpassen aan de anti-Joodse verordeningen. Efraim meldde zich op 18 december 1940 aan in het gemeentelijk Joodse register en op 6 april 1942 werden ze lid van de Vereniging van Joden in België. In de zomer van 1942 werd Efraim weggevoerd naar Noord-Frankrijk voor dwangarbeid. In oktober 1942 werd hij aan boord van transport XVI naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd, maar hij slaagde erin op Belgisch grondgebied uit de trein te springen en keerde terug naar Antwerpen, waar hij zijn gezin niet meer aantrof.

Tijdens zijn afwezigheid had Augusta de kinderen ondergebracht bij hun huishoudster, Marie, en kreeg Augusta hulp van Charles Ollinger, een leraar uit Mons, om hen in veiligheid te brengen. Het gezin kon onderduiken op een boerderij in Frameries en later in een huis in Mons, waar ze zich voordeden als Vlaamse vluchtelingen. Efraim werd in Mons in de onderduik met zijn gezin herenigd. Hij werd verborgen en mocht niet naar buiten. De kinderen gingen in de buurt naar school. Aan de overkant van de straat bevond zich een lokaal Duits hoofdkwartier, de Kommandantur. Toen Myriam op een dag buiten speelde, sprak een Duitse soldaat haar aan en noemde hij haar een “mooi kind.” Daarna mocht ze van haar moeder niet meer buiten spelen.

Het gezin bevond zich in Mons toen de stad op 2 september 1944 werd bevrijd. Ze keerden daarna terug naar Antwerpen, waar Efraim zijn diamantbedrijf hervatte. In 1953 emigreerde de familie naar Israël, maar in 1957 keerden ze terug naar Antwerpen. Na veel juridische procedures kregen Efraim en Augusta de Belgische nationaliteit. In 1971 werd hun redder, Charles Ollinger, erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren voor zijn redding van achttien leden van de familie Holzer.