Gezin Pander – Lublinski

Het gezin Pander-Lublinski bestaat uit vader, moeder en dochter. Niemand overleefde Auschwitz-Birkenau.

Gezin Pander - Lublinski
Senta Pander

Het gezin Pander – Lublinski bestaat uit moeder, vader en dochter. De vader, Martin Pander, werd geboren op 9 april 1894 in Buk (Polen) en was horlogemaker van beroep. De moeder, Martha Lublinski werd geboren op 15 oktober 1899 in Hamborn (Duitsland) en was huisvrouw. Als getrouwd koppel woonden ze in Dortmund (Duitsland) waar ze hun eerste en enige kind kregen. Hun dochter, Senta Ursula Pander, werd geboren op 7 december 1925 en werkte later als modiste.

Als politieke vluchtelingen kwamen Martin en Martha op 1 april 1939 vanuit Dortmund in België aan. Ze kozen deze vluchtweg omdat België ‘het kortste bij’ was. Ze kwamen het land in april binnen via Aken en trokken zo verder richting onze hoofdstad Brussel. Hun aankomst werd bevestigd door de registratie in Sint-Gillis op 26 juni 1939. Daar woonden ze in de Guldenvliesstraat 131. Op dat moment zat hun dochter nog in Nederland, meer bepaald in Den Helder, waar ze terechtkwam met het kindertransport. Om Senta terug bij zich te krijgen, deden Martin en Martha een aanvraag en dit met succes! Ze slaagden erin een visum van drie maanden te verkrijgen voor Senta. Na drie maanden werd ze niet weggestuurd, integendeel, ze verkreeg steeds een verlenging om in België te blijven. De ouders, Martin en Martha, werden op 30 november 1939 in het vreemdelingenregister met het model B ingeschreven.

In mei 1940 viel nazi-Duitsland België binnen. Moeder Martha en dochter Senta gehoorzaamden de anti-Joodse wetten van het bezettingsbestuur. Eind 1940 schreven ze zich in het gemeentelijk Jodenregister in, en in 1942 werden ze lid van de Jodenvereniging. Wanneer in augustus 1942 de “evacuatie” van de Joden begon, werden zowel Martha als haar dochter Senta op transport I gezet. Zij werden, net als 424 andere vrouwen op een trein geplaatst met bestemming Auschwitz. Met daarbij nog 573 mannen bedroeg het deportatietransport 999 mensen. Martha en Senta gingen zoals 819 van deze 999 Joden in op het Arbeitseinsatzbefehl, het tewerkstellingsbevel dat door de Sipo-SD werd uitgevaardigd. Als ‘arbeidsplichtigen’ werden ze opgeroepen naar het verzamelkamp van Mechelen om nadien gedeporteerd te worden. Bij aankomst in de Dossinkazerne kregen ze een plaatje rond hun nek met het nummer van het transport in Romeinse cijfers (I) en in Arabische cijfers hun persoonlijk transportnummer. Senta had nummer 98 en Martha het nummer 99. Vanaf dat moment hadden ze geen andere identiteit.

De meeste gedeporteerden van transport I stapten uit nabij Auschwitz in een open veld waar ze geselecteerd werden om te werken in het kampencomplex. Het onmiddellijke vernietigingspercentage van dit transport, waarvan 74,4 procent werd tewerkgesteld, was het laagste van heel de deportatie uit Mechelen. Martha Lublinski is terug te vinden in de Sterbebücher van Auschwitz, die trouwens onvolledig zijn, wat aantoont dat ze geselecteerd werd voor arbeid. Haar dochter Senta was op dat moment amper 16 jaar en is niet terug te vinden in het Sterbebücher. Mogelijk werd zij meteen vergast in één van de twee Bunkers van Birkenau. Martha stierf ook in Auschwitz, net als 99,3 procent van de gedeporteerden van dit transport. Slechts zeven personen overleefden drie jaar gevangenschap.

Martin Pander, de vader, werd niet via de Dossinkazerne gedeporteerd naar Auschwitz maar belandde er wel. Hij werd in augustus 1942 vanuit Drancy in Frankrijk naar Auschwitz gestuurd met konvooi 17. Net als zijn vrouw en dochter werd hij vermoord waardoor niemand van het gezin overleefde.

 

Publicatieinfo:

ADRIAENS Ward, STEINBERG Maxime (e.a.), Mecheln-Auschwitz, 1942-1944. De vernietiging van de Joden en zigeuners van België, 4 delen (deel 1), Brussel, 2009.

Dieter Porton