Godel alias Gustav Storosum werd op 22 maart 1894 geboren in Łódź. Zijn ouders, Aron Storosum (°3 maart 1864 in Zgierz) en Tauba Peranni (°1 juni 1860 in Stickow) emigreerden naar Duitsland en vestigden zich in Keulen. Op 18 maart 1909 stapte Godel in het huwelijksbootje met Natla Kriegstein, (°30 oktober 1890 in Kromołów). Op 17 oktober 1923 kregen Godel en Natla een zoontje dat ze de naam Heinz alias Chaim Storosum gaven. Twee jaar later, op 19 juli 1925, werd hun tweede zoon, Willi, geboren. Met dochter Martha, die op 3 maart 1927 het levenslicht zag, was het gezin compleet. Na het overlijden van Godels vader Aron in 1938 trok Tauba in bij het gezin van haar zoon. Godel was hoedenmaker, Natla zorgt voor de bejaarde Tauba en de kinderen.
Toen nazi-Duitsland in 1938 Oostenrijk annexeerde en delen van Tsjechoslowakije bezette, vreesden de vele Joden met Poolse nationaliteit die er woonden terecht voor de gevolgen van de nazi-heerschappij. Velen probeerden naar hun thuissteden in de nieuwe Republiek Polen terug te keren. De Poolse overheid wilde de immigratiegolf verhinderen en besloot de nationaliteit in te trekken van burgers die langer dan vijf jaar in het buitenland woonden. In oktober 1938 begon nazi-Duitsland met het uitwijzen van de nu statenloze Joden onder hen. In de loop van enkele dagen werden meer dan 15.000 mensen verzameld in een niemandsland bij Zbąszyń aan de Poolse grens. Ze mochten Polen niet in en mogen evenmin terugkeren naar Duitsland. Ad hoc werden in erbarmelijke omstandigheden vluchtelingenkampen opgericht. Ook de familie van Godel en Natla werd statenloos. In juli 1939 werden ze verzocht Duitsland te verlaten. Teruggaan naar Polen kon niet en de wettelijke emigratie naar een ander land was voor statenlozen zo goed als onmogelijk.
Om zich voor dit lot te behoeden, besloot de familie naar België te vluchten. De kinderen werden via een Kindertransport naar Brussel gebracht, Godel en Natla staken samen met Godels moeder Tauba de grens bij Aken over. Eenmaal in België kregen ze hulp van het Comité d’Assistance aux Refugiés Juifs en vestigden zich in de Herzieningslaan 104 in Anderlecht, waar ze herenigd werden met hun zoon Willi. Het blijft onduidelijk waar Chaim en Martha in deze periode verbleven. Vermoedelijk woonden de kinderen in een opvanghuis.
In Brussel kreeg Chaim de kans zijn muzikale talent als violist aan het conservatorium te ontwikkelen. Maar toen nazi-Duitsland België op 10 mei 1940 aanviel, werd de familie gescheiden: Chaim en Martha werden samen met de andere kinderen in hun opvanghuis naar Frankrijk geëvacueerd, terwijl Godel, Natla, Tauba en Willi in Brussel bleven. Met de Duitse invasie begon ook in België de Jodenvervolging. Wat eind 1940 begon bij verplichte inschrijving in het Jodenregister, was in juni 1942 reeds geëvolueerd tot het dragen van de “Jodenster”. Een maand later werden de eerste Duitse tewerkstellingsbevelen verstuurd. Op 4 augustus 1942 vertrok het eerste transport met Joden vanuit de Dossinkazerne in Mechelen naar Auschwitz-Birkenau. Ook Willi Storosum meldde zich met een “Arbeitseinsatzbefehl”. Toen Transport I op 5 augustus 1942 in Auschwitz-Birkenau aankwam, werd Willi, net zeventien jaar oud, geselecteerd voor de dwangarbeid. Hij bezweek echter reeds op 1 oktober 1942 aan het onmenselijke kampregime.
Godel werd in de zomer van 1942 naar Noord-Frankrijk gebracht, waar hij voor de nazi-bouwfirma Organisation Todt dwangarbeid verrichtte. Wanneer de nazi’s het in het najaar echter steeds moeilijker kregen om de transporten vanuit België naar Auschwitz de vullen, werden Joodse dwangarbeiders uit Noord-Frankrijk toegevoegd aan de deportatielijsten in de Dossinkazerne. Ook Godel werd op 30 oktober 1942 geregistreerd. Transport XVII vertrok op 31 oktober 1942 uit Noord-Frankrijk en kwam, na een korte nachtelijke tussenstop nabij de Dossinkazerne, op 3 november 1942 in Auschwitz-Birkenau aan. Daar verdween elk spoor van Godel.
Terwijl Godel nog in Frankrijk was, werd Natla naar de Dossinkazerne gebracht. Zij werd op 25 september 1942 in het kamp geregistreerd en werd de volgende dag, met Transport XI, gedeporteerd. Na aankomst van dit transport in Auschwitz-Birkenau op 28 september 1942 wordt de 51-jarige vrouw hoogstwaarschijnlijk onmiddelijk naar de gaskamer gebracht. Godels bejaarde moeder Tauba bleef alleen in Brussel achter.
Godels oudste zoon Chaim en dochter Martha waren sinds mei 1940 in bezet Frankrijk. Chaim was actief lid van de Joodse scoutsvereniging Éclaireuses et Éclaireurs Israélites de France, Martha werd geplaatst in een opvangcentrum van het Zwitserse Rode Kruis in het zuid-Franse dorpje La Hille. Een honderdtal Joodse kinderen woonden daar in voorlopige veiligheid. Wanneer de kinderen toch gedeporteerd dreigden te worden, organiseerde Rösli Näf, de directrice van het centrum, de clandestiene overtocht naar Zwitserland. Bijna alle kinderen van La Hille overleefden zo de oorlog. Chaim Storosum kreef in 1944 de kans naar Brits Mandaatgebied Palestina te vluchten, waar hij in Haifa neerstreek. Later verhuisde hij naar Nederland, waar hij zijn carrière als violist met Joods engagement verweefde en in Amsterdam zowel chazzan is als het Collegium Musicum Judaicum, een ensemble voor Joodse moderne en traditionele muziek, oprichtte.