Lajzer Prync werd op 12 april 1883 in Boleslawiec geboren als zoon van Mendel Prync en Tauba Kempinski. Lajzer was arbeider en kreegsamen met zijn vrouw Sura Rivka Szczupak, °1885 te Praska) zeker zeven kinderen: Hinda (°4 november 1909), Marja (°27 juli 1911), David Idel (°14 november 1912), Esther (°18 december 1914), Brajndla (°23 oktober 1918), Majer (°17 oktober 1920) en Ella (°5 augustus 1923). Op 8 juli 1929 emigreerde Lajzer met zijn familie naar België, waar het gezin in Seraing-sur-Meuse ging wonen. Lajzer werkte er in de staalfabriek John Cokerill en was actief in een lokale socialistisch-zionistische vereniging. Lajzers vrouw Sura Rivka overleed op 9 augustus 1930, nauwelijks een jaar na hun aankomst in België. Na meerdere jaren in Seraing verhuisden weduwnaar Lajzer en zijn kinderen naar Sint-Gillis. Marja, Brajndla, Estera, Majer en Ella Prync werkten er als kleermakers en onderhielden vermoedelijk hun vader Lajzer die op leeftijd was.
Lajzers kinderen Hinda, Marja, David en Majer Prync waren ondertussen ook getrouwd en hadden eigen gezinnen gesticht. Lajzers dochters Estera en Brajndla meldden zich eind juli 1942 met een Arbeitseinsatzbefehl (tewerkstellingsbevel) in de Dossinkazerne en werden op 4 augustus 1942 met het eerste Transport vanuit Mechelen naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Daarna verdween ieder spoor. Vermoedelijk zagen ze hun broer Majer en zijn vrouw Ajdel Wolf nog een laatste keer in de Dossinkazerne. Majer en Ajdel meldden zich immers op 3 augustus 1942 in Mechelen met eentewerkstellingsbevel. Zij werden op 11 augustus 1942 met Transport II gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau, waar ze vermoord werden.
Lajzers zoon David werdin de zomer van 1942 door de Duitsers naar Noord-Frankrijk gedeporteerd, waar hij voor de nazi-bouwmaatschappij Organisation Todt in een werkkamp dwangarbeid moest verrichten. Er waren meerdere werkkampen in de regio waar onderaannemers van Organisation Todt Joodse dwangarbeiders aan het werk zetten. David werkte voor de firma’s Durr & Rosetzky en Nick Garcon & Söhne. De dwangarbeiders dachten dat hun families in België veilig zoudenblijven zolang zij de nazi’s gehoorzamden, maar in werkelijkheid werden hun ouders en gezinnen naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. In oktober 1942 werd het steeds moeilijker de transporten vanuit Mechelen gevuld te krijgen. Daarop werd beslist om dwangarbeiders uit Noord-Frankrijk terug naar België te brengen om hen te deporteren.. Dat gebeurde ook met David, die op de lijst van Transport XVII werd genoteerd. Dit transport vertrok op 31 oktober 1942 uit Noord-Frankrijk, maar David slaagde erin uit de trein te ontsnappen. Hij werd niet meer door de nazi’s gevonden. Ook zijn vrouw Chana Prync en zoontje Bernard konden aan de deportatie ontkomen.
Lajzer en zijn oudste dochter Hinda werden pas in november 1943 gearresteerd. Na een verblijf van bijna twee maanden in de Dossinkazerne werden ze op 14 januari 1944 met Transport XXIII gedeporteerd. Bij aankomst in Auschwitz-Birkenau op 17 januari 1944 zijn ze hoogstwaarschijnlijk meteen vergast. Ook Ella, Lajzers jongste dochter, ontkwam niet aan de nazi’s. Zij werd op 26 juni 1943 vanuit Drancy naar Auschwitz gedeporteerd, waar ieder spoor van haar verdwijnt.
Slechts twee van Lajzers kinderen overleefden de oorlog: zoon David die uit Transport XVII kon ontsnappenen dochter Marja die aan de arrestatie kon ontkomen. Ook de kinderen van David en Marja overleefden de oorlog. De dochter van Lajzers oudste dochter Hinda, Sarah Szczupakiewicz, bleef verweesd achter na de deportatie van haar ouders en werd in 1949 door de Joodse organisatie Jeugdalijah naar Israël gebracht.