Maurice Olesinski werd op 4 april 1882 geboren in Warschau. Maurice woonde met zijn vader Samuel, moeder Blima Kamlot, en broer Jacob (°8 december 1893), Maurice in zijn geboortestad. In 1904 verhuisde hij naar Antwerpen om zijn geluk te beproeven in de diamanthandel. Hij slaagde erin een bloeiende carrière op te bouwen en haalde in 1910 zijn jongere broer Jacob naar België om hem de kneepjes van het vak te leren. In 1913 trouwde Maurice met Elisabeth Blumenthal (°19 augustus 1887 in Antwerpen), een Belgisch-Joodse jongedame van Letse afkomst. Het paar woonde in Berchem in de Marialei 26. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak keerde Jacob Olesinski terug naar hun ouderlijk huis in Warschau. Niet lang daarna vluchtten Maurice en Elisabeth naar het neutrale Nederland. Elisabeth was zwanger en wilde wellicht hun toekomstige kindje in veiligheid brengen. Op 8 april 1915 beviel Elisabeth in Den Haag van een dochter. Ze noemden haar Bethyne.
Eind 1915 keerde het gezin terug naar Berchem en kochten ze een huis in de Albert Grisarstraat. In januari 1925 kwam Jacob, de broer van Maurice, terug naar België en ging hij aan de slag als diamantsnijder. Op 20 oktober 1925 werd ook het tweede kind van Maurice en Elisabeth geboren: het jongetje werd Lucien genoemd. Lucien Olesinski ging naar een Franstalige stedelijke basisschool op de Belgiëlei. “Lulu” leerde er Natan Ramet kennen, die zijn beste vriend zou blijven. Natan zou na de oorlog medeoprichter worden van het Joods Museum van Deportatie en Verzet (JMDV), vandaag Kazerne Dossin. Het gezin Olensinksi duikt regelmatig op in foto’s die Natan in de jaren 1990 aan het JMDV schonk.
Kort nadat de nazi’s, op 10 mei 1940, België binnenvielen, werden de eerste anti-Joodse verordeningen aangekondigd. Joden moesten zich registreren bij de gemeenten, er gold voor hen een avondklok, en Joodse diamantairs werden onteigend. Zo ontpopte diamanthandelaar Maurice Olesinski zich noodgedwongen tot makelaar. In de lente van 1942 moesten Joden zich aansluiten bij de pas opgerichte Vereniging der Joden in België. Deze organisatie, het enige toegestane Joodse orgaan, werd verplicht de bevelen van de bezetter op te volgen. Zo voerde de VJB een eigen Jodenregistratie door, en moest het orgaan de Duitse tewerkstellingsbevelen, eigenlijk deportatie-oproepen, naar haar leden sturen. De Duitsers hoopten dat Joden gehoorzaam zouden zijn als de officiële communicatie via een Joodse organisatie liep. Lucien Olesinski nam een baan aan als boodschapper voor de VJB in de hoop dat dit hem, zijn ouders, zijn zus en zijn oom Jacob zou beschermen. In de zomer van 1942 ontving Jacob Olesinski toch een Duits tewerkstellingsbevel.
Jacob werd kort voor het vertrek meermaals opgenomen in het ziekenhuis, maar op 10 augustus 1942 meldde hij zich toch in de Dossinkazerne. Op 15 augustus 1942 vertrok hij met Transport III naar Auschwitz-Birkenau, waar hij op 17 augustus 1942 arriveerde. Hij keerde niet meer terug. Waar, hoe en wanneer hij is vermoord, weten we niet.
Maurice, Elisabeth en hun kinderen Bethyne en Lucien hadden allemaal de Belgische nationaliteit en waren hierdoor voorlopig vrijgesteld van de deportatie. Begin september 1943 besloten de nazi’s echter die bescherming in te trekken: in de nacht van 3 op 4 september worden tijdens “Aktion Iltis” 750 Joden met de Belgische nationaliteit thuis opgepakt en naar de Dossinkazerne gebracht. Ook Maurice, Elisabeth, Bethyne en Lucien werden gearresteerd. Ze namen hun Belgische nationaliteitsverklaringen mee, alsook een bewijs van Luciens werk voor de VJB. Ze hoopten vrijgelaten te worden wanneer ze de documenten zouden voorleggen.
Op 20 september 1943 voerde Transport XXII B (Belgen) het gezin naar Auschwitz-Birkenau. Bij aankomst op 22 september 1943 werden Maurice en Elisabeth, die 61 en 56 jaar oud zijn, hoogstwaarschijnlijk meteen vergast. Van de 28-jarige Bethyne ontbreekt verder ieder spoor. Lucien werd als enige met zekerheid voor de dwangarbeid geselecteerd en naar Warschau overgeplaatst. Zijn commando moest het puin van het volledig vernietigde getto ruimen. In december 1943 werd ook de al in 1942 gedeporteerde Natan Ramet naar het commando in Warschau gestuurd, waar hij zijn beste vriend Lucien Olesinski terugzag. Lucien was echter verzwakt en belandde in de ziekenbarak van het kamp. Op een nacht werden 100 zieken, onder wie Lucien en vijf van zijn Antwerpse klasgenoten, in het holst van de nacht weggebracht. Ze moesten hun eigen graf graven en werden genadeloos neergeschoten.
Lucien was slechts 18 jaar oud. Van de vijf leden van de familie Olesinski overleefde niemand de oorlog.