Walter Friedmann, een Duits verkoper, wordt tijdens Kristallnacht (9-10 november 1938) door de nazi’s opgepakt en in het concentratiekamp Sachsenhausen opgesloten. Wanneer hij op 29 december 1938 vrijkomt, trouwt hij met de eveneens Joodse Elfriede Mathias. Het echtpaar wil Duitsland ontvluchten, maar kan zich slechts één ticket naar Cuba veroorloven. Op 13 mei 1939 verlaat Walter Friedmann aan boord van de Saint-Louis de haven van Hamburg. De vluchtelingen mogen het schip in Cuba echter niet verlaten, zodat de Saint-Louis noodgedwongen naar Europa terugkeert.
Walter Friedmann vestigt zich in Brussel en doet verwoede pogingen om zijn echtgenote te laten overkomen. Hij schrijft zelfs met succes een brief aan Koningin Elisabeth. Het hof toont interesse in het dossier, maar de zaak wordt door de Duitse inval op 10 mei 1940 opgeschort. Walter Friedmann wordt die dag door Brusselse politieagenten aangehouden, aan de Franse overheid overgedragen en achtereenvolgens in de kampen Saint-Cyprien, Gurs en Les Milles geïnterneerd. Op 11 augustus 1942 komt Walter Friedmann (42) in het doorgangskamp Drancy aan. Drie dagen later voert deportatietransport 19 hem naar zijn dood. Bij aankomst in Auschwitz-Birkenau verdwijnt elk spoor van hem. Zijn echtgenote, Elfriede Mathias, wordt vanuit Duitsland naar het getto van Lodz gedeporteerd. Ook zij verdwijnt zonder een spoor na te laten.
VAN GOETHEM, Herman, en Patricia RAMET, red. Drancy-Auschwitz 1942-1944: Joden uit België, gedeporteerd via Frankrijk = Juifs de Belgique, déportés via la France = Jews from Belgium, deported via France. Brussel: ASP, 2015.