Het gezin Buchsbaum-Schön was een kroostrijk gezin. Chaïm Buchsbaum en Chana Schön, twee Poolse Joden, hadden zeven kinderen: vijf dochters en twee zonen. De twee oudste dochters werden geboren in Wisnicz; Pessel op 15 december 1912 en Berta op 19 september 1919. De vijf andere kinderen werden geboren in Keulen; Max op 3 augustus 1921, Gusti op 21 mei 1924, Mayer op 5 juli 1927, Fanni op 28 november 1928 en Ida op 16 december 1931.

Als reactie op de anti-Joodse maatregelen en het antisemitische geweld in Duitsland in de jaren dertig, stond de Belgische overheid in december 1938 toe dat 250 Joodse kinderen uit Duitsland tijdelijk naar België zouden komen. Het Comité d’Assistance aux Réfugiés juifs in Brussel zou zich over het verblijf en onderwijs van deze kinderen ontfermen. Gusti Buchsbaum en haar broertje Mayer kwamen in april 1939 met dit Kindertransport aan in Brussel. Rond dezelfde tijd vluchtte ook hun oudere broer Max naar België. Gusti en Mayer verbleven na hun aankomst met het Kindertransport tijdelijk in de Van Helmontstraat 9, tot ze in Anderlecht werden geplaatst. Gusti logeerde bij een familie in de Herzieningslaan 59, terwijl Mayer werd opgevangen in het kindertehuis Speyer op Victor Rauterstraat 128. In mei 1939 verhuisde Gusti naar een ander gastgezin, in de Marinisstraat 11 in Antwerpen, waar Mayer later ook Mayer terechtkwam.

In juni 1939 vluchtten Gusti’s ouders Chaïm en Chana met hun vier overige kinderen naar België om aan de nazi-maatregelen te ontkomen. Ze gingen in Antwerpen wonen, in de Lentestraat 31. Chaïm en Chana werden bedreigd met uitzetting naar Polen, maar de Poolse overheid weigerde hen omdat ze intussen als staatloos beschouwd werden en niet langer als Poolse burgers.

Oudste zoon Max trok in september 1939 in bij zijn ouders in de Lentestraat. In de loop van de herfst volgden Gusti en haar jongere broertje Mayer. Zo was het gezin Buchsbaum eindelijk herenigd. Begin 1940 verhuisden ze naar de Van der Meydenstraat 3 in Borgerhout. Max werd door de Belgische overheid achtereenvolgens in het vluchtelingencentrum van Wortel en Marquain geplaatst omdat hij als vluchteling het land was binnengekomen en ongetrouwd was. In juni 1940 mocht hij zijn ouders, broers en zussen opnieuw vervoegen in Borgerhout.

Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland België binnen. Na achttien dagen capituleerde België, waarna de bezetter een militair bestuur installeerde. Het bestuur bereidde met een reeks verordeningen de systematische vernietiging van de Joden in België voor. Vanaf 28 oktober 1940 moesten alle Joden ouder dan 15 jaar zich registreren in het gemeentelijke Jodenregister. De gehele familie Buchsbaum gehoorzaamde aan de oproep. Tussen december 1940 en februari 1941 werden 3000 vreemdelingen uit Antwerpen, vooral Joden, uitgewezen naar Limburg. De precieze aanleiding daarvoor is onduidelijk. Chaim, Chana en hun gezin werden op 18 januari 1941 uitgewezen en moesten zich vestigen in Helchteren. De uitgewezenen mochten geen beroep uitoefenen en moesten zich dagelijks melden bij de plaatselijke autoriteiten. De oudste dochter, Pessel, trouwde op 2 april 1941 in Alken met Bernard Goldstein; zij kregen op 3 juli een zoontje, Jacob. Vanaf maart werd de uitwijzing opgeheven, maar het gezin Buchsbaum verhuisde in april nog naar Alken. Daarna keerden de Buchbaums terug naar Borgerhout, ditmaal naar de Bleekhofstraat 44. Max en Gusti vonden werk in een bakpoederfabriek, terwijl Berta aan de slag ging als kleermaakster. Pessel en haar gezin namen in september hun intrek in de Groenstraat 23 in Sint-Joost-ten-Node.

In de zomer van 1941 werden de identiteitskaarten van Joden in rode letters bestempeld met de woorden “Jood-Juif”. In het voorjaar van 1942 verplichtte het militaire bestuur de Joden zich te registreren bij de Jodenvereniging in België. In juni 1942 werd de Davidster ingevoerd. Enkele weken daarna werden de eerste tewerkstellingsbevelen verstuurd. Gusti en Max meldden zich op 10 augustus 1942 in de Dossinkazerne met hun Arbeitseinsatzbefehle. De kampadministratie schreef hen in op de deportatielijst van Transport III, als nummers 256 en 258. Transport III vertrok op 15 augustus 1942, en kwam twee dagen later aan in Auschwitz-Birkenau. Wat er precies met Gusti en Max gebeurde, is niet bekend. Ze kwamen beiden om het leven.

Chaïm, Chana, Berta, Mayer, Fanni en Ida werden op 2 oktober ingeschreven op de lijst van Transport XII, met de nummers 645 tot en met 650. Wellicht werden ze opgepakt tijdens of in de nasleep van de vierde razzia in Antwerpen. Op 10 oktober vertrokken de transporten XII en XIII als één trein uit Mechelen. Twee dagen later kwamen de transporten aan in Auschwitz-Birkenau. Waar, wanneer en hoe Chaïm, Chana, Berta, Mayer, Fanni en Ida omkwamen, is niet bekend. Geen van hen overleefde de deportatie.

Pessel, Bernard en Jacob werden op 16 februari 1943 ingeschreven op de lijst van Transport XX, met de nummers 695, 696 en 697. Gedurende meer dan twee maanden zaten ze opgesloten in de Dossinkazerne. Het twintigste transport bestond uitsluitend uit Joden die tijdens gerichte acties waren opgespoord of opgepakt. Op 22 april kwam Transport XX na drie dagen reizen aan in Auschwitz-Birkenau. Daarna verdwijnt elk spoor van Pessel, Bernard en Jacob. Ook zij overleefden de deportatie niet.

Max Van Lint
Stagiair